Quakers
Raad van Kerken in Nederland
Ramakrishnazending,
Reformed Church in America
Reformjodendom
Remonstrantse Broederschap
Rite
Roemeens-Orthodoxe Kerk
Roomsch-Katholieke Kerk van de Oud-Bisschoppelijke Cleresie,
Rooms-Katholieke Kerk,
Rozekruisers, Broederschap der,
Russisch-Orthodoxe Kerk, PERIODE VAN KIËV.
PERIODE VAN MOSKOU.
SYNODALE PERIODE.
KERK IN DE SOVJET- UNIE.




Quakers
is de gebruikelijke benaming voor de aanhangers van een godsdienstige beweging die haar ontstaan dankt aan de profetische verschijning van George Fox ( I 624-169 I ) . De naam Quakers (v. Eng. to quake = sidderen) was oorspronkelijk een spotnaam die of hetrekking had op extatische toestanden tijdens de ondervinding van innerlijke ervaringen op hun bijeenkomsten, of op het sidderen voor het oordeel Gods, waartoe Fox zijn rechters opriep. Zelf noemden zij zich aanvankelijk Children of the Light of friends in the truth. Nadat zij zich sedert 1669 als afzonderlijke groep hadden georganiseerd, kozen zij de naam Society of friends (Genootschap der Vrienden). De Quakers laten zich leiden door het 'inner light' (innerlijke verlichting door de Heilige Geest; vgl. loh. 1: g), zonder tussenkomst van kerkelijke ambten en sacramenten. Een zelfstandig en veelal daadkrachtig geestelijk leven komt bij hen tot uiting.

Zij verwerpen militaire dienst, leggen soberheid in kleding en voeding aan de dag en wijden zich aan liefdewerk en weldadigheid. Hun tegenstand tegen de 'established Churche en hun soms ongematigd optreden bezorgden de Quakers zware vervolgingen, waaraan pas door de Act of Toleration (1689) een eind kwam. In 1668 ontwierp Fox zijn 'Rule for the Management of Meetings', grondslag voor de organisatie zonder eigenlijk kerkelijke vormen. Deze ontbreken ook in de eredienst. Een hoofddeel hiervan is de sti}te ('silent meeting') waarin op de zelfmededeling van de H. Geest en op Gods tegenwoordigheid wordt gewacht; er wordt slechts gesproken als iemand zich geroepen weet. Het klassieke theologische werk voor de Friends is: Theologiae verue Christiallae Apologia (1676} van Robert Barclay (Eng. vert. 1 678) . Grote uitbreiding van hun invloed werd verkregen door de activiteiten van William Penn (1644-1682) en de stichting van Pennsylvania (1682) in Noord-Amerika. De Quaker George Woolman heeft aan het begin gestaan van de strijd tegen de slavernij, die in Pennsylvania het eerst afgeschaft is.

Van politiek in de strikte zin onthielden de Quakers zich; gaandeweg lieten zij hun oppositie tegen de overheid varen, maar militaire dienstweigering hielden zij vol. Zowel na de Eerste als na de Tweede Wereld oorlog wijdden zij zich aan relief-work in verwoeste gebieden bij beide partijen. In 1948 werd hun de Nobelprijs voor de vrede toegekend.

De niet op een kerk gelijkende organisatie van de Quakers bestaat in autonome Maandvergaderingen en Jaarvergaderingen. De Londense Jaarvergadering omvat ruim 20000 leden; Noord-Amerika telt 25 Jaarvergaderingen met in totaal meer dan looooo leden, merendeels aangesloten bij het Friends World Committee (for Consultation). Er bestaan daarnaast 'programmed meetings', ook 'pastoral meetings' genoemd, die een meer kerkelijk karakter hebben en waarbij aangestelde voorgangers functioneren. Afrika telt ca. 35 000 Quakers (de meesten in Kenia}, Azië 2500, Australië met NieuwZeeland 1600, Europa ruim 23000.

De Engelse Friends Service Council en de American Friends Service werken met de Europese organisatie samen. In Nederland bestonden in de tweede helft van de 17de eeuw Maandvergaderingen te Amsterdam en te Rotterdam. Na een inzinking volgde in 1903 de heroprichting. Hierbij sloot de beweging van de Woodbrookers in Holland aan, later de Barchembeweging genoemd. Het centrum van het Nederlands Genootschap der Vrienden (gesticht in 1931) is gevestigd te Amsterdam; het aantal leden bedraagt ca. 200. Als periodiek verschijnt sinds 1929 het maandblad De Vriendenkring. Internationale centra bestaan te New York, Londen, Geneve, New Delhi en Tokio. Elke vijftien jaar heeft een World Conference plaats en elke drie jaar een Triennial Meeting. De Society of Friends is aangesloten bij de Wereldraad van Kerken.

Lit.: W. C. BRAITHWATE, The beginnings of Quakerism (1912, 21955); IDEM, The second period of Quakerism (1919, 31961); W. 1. HULL, Willem Sewel of Amsterdam, the first Quakerhistorian of Quakerism (1934); IDEM, The riseofQuakerism in Amsterdam, 1655 1665 1938); C. L. VAN DALFSEN, Het inwaartsch licht bij de Quakers, in het bijz. bij R. Barclay (1940); PERCY W. BARTLETT, Quakers and the Christian Church (1942): E. RUSSELL, History of Quakerism (1942); E. SIEVEKING, Die Quaker und ihre sozialpolitische Wirksamkeit (1948}; H. BRINTON, Friends for 300 years (1953); L. EEGOLOFSSON, The conception of the Inner Light in R. Barclay's theology (1954); E. VIPONT~ The story of Quakerism (1954); l. LINDEBOOM, Gesch. van de Barchembeweging (1958 j: Report of the Fourth World Conference of Friends (1968); J. Z. KANNEGIETER, Gesch. van de vroegere Quakergemeenschap te Amsterdam 1656 tot begin 19de eeuw (197l)



Raad van Kerken in Nederland
werd op 21 juni 1968 opgericht als opvolger van de Oecumenisclze Raad van Kerken, die op l0 mei 1946 was geformeerd. Tot de nieuwe Raad traden toe: de Nederlandse Hervormde Kerk, de RoomsKatholieke Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland, de EvangelischLutherse Kerk, de Oud-Katholieke Kerk, de Remonstrantse Broederschap, de Doopsgezinde Broederschap, de Evangelische Broedergemeenten, het Genootschap van Vrienden (Quakers) en als gastleden: de Nederlandse Protestantenbond en het Leger des Heils. In de preambule van zijn statuut heeft de Raad als gemeenschappelijke basis uitgesproken: 'De kerken, aangesloten bij de Raad van Kerken in Nederland, willen in getuigenis en dienst gestalte geven aan de gemeenschap van kerken, in het geloof in de ene Heer Jezus Christus, het Hoofd der kerk en de Heer der wereld.'

De belangrijkste verschillen met de Oecumenische Raad van Kerken zijn: verbreding van de kerkelijke gemeenschap door toetreding van de Gereformeerde Kerken en de Rooms-Katholieke Kerk, en doorbreking van de onverplichtheid, omdat de Raad niet wordt gevormd door afgevaardigden van de kerken, maar door leden van de kerkelijke beleidsorganen. Op tweevoudige wijze worden de gehele geloofsgemeenschappen in de Raad betrokken: door provinciale en plaatselijke raden van kerken en door de secties. De volgende secties zijn opgericht of gepland: Theologische vragen, Dienst, Sociale vragen, Oecumenische actie, Eredienst, Internationale zaken, Contact met de overheid, Jongeren, Voorlichting en publiciteit, Onderwijs en vorming, Ontwikkelingssamenwerking, Kerkelijke financiën, Oecumenische relaties met kerken in het buitenland. De Raad is een associated council van de *Wereldraad van Kerken.



Ramakrishnazending,
hindoeïstische hervormingsbeweging, ontstaan in de tweede helft van de 19de eeuw in India. Geestelijk vader van de beweging is Ramakrishna (1836 1886, eigenlijke naam: Gadahara Chattopadhyarya)~ een mysticus en asceet die werd geïnspireerd door de Brahman Sankara (8ste eeuw n.C.), die de verlossingsleer van het *brahmanisme ontwikkeld had tot een systematische mystiek (ook z Vedanta). Volgens Sankara's leer wordt verlossing bereikt door het mystieke inzicht in de eenheid van alle dingen. Het Ene (advaita) is het enige, de veelheid is schijn (may). Praktizering van deze leer leidde bij Ramakrishna tot een streng doorgevoerde ascese. De nadruk op de eenheid van de godheid bracht hem ertoe de bestaande godsdiensten in een overkoepelende synthese samen te vatten als verschillende uitdrukkingen van dezelfde godheid.

Na zijn dood in 1886 zette zijn opvolger, Svami Vivekananda (1862-l902, eigenlijke naam: Narendra Nath Datta), de prediking van de eenheid van alle godsdiensten voort. Vivekananda stichtte in 1897 de Ramakrishnazending, die ter verbreiding van de Vedantaleer afdelingen vestigde in West-Europa en de Verenigde Staten. Naast de religieuze leer wordt de Ramakrishnazending gekenmerkt door liefdadigheid en hulpverlening bij rampen. De zending heeft de beschikking over eigen scholen, weeshuizen en ziekenhuizen. Lit.: RANGANATHANANDA, The Ramakrishna Mission (1956); Sv. GAMBHIRANANDA, History of the Ramakrishna Math and Mission (1957), S. LEMAITRE, Ramakrishna et la vitalité de l'hindouisme (1959); Vivekananda centenary memorial number, van Bulletin of the Ramakrishna Mission Institute of Culture, 14, nr. 3 (1963); CH. ISHERWOOD, Ramakrishna and his disciples (I965); N. R. ADAMS, Background of some Hindu influences in America. The Rama Krishna Movement, in: Journal of Ecumenical Studies (1972) blz. 318-340; M. MILDENBERGER, Heil aus Asien'? Hinduistische und buddhistische Bewegungen im Westen ( 1974); F.W. HAACK, Die neuen Jugendreligionen (31976).



Reformed Church in America
heet sedert 1867 de in het begin der 17de eeuw van Nederland uit gestichte kerk in de Verenigde Staten. Aanvankelijk afhangend van de classis Amsterdam, daarna onder Engelse invloed, werd zij in 1792 geheel zelfstandig, onder leiding van een eigen synode. In de 19de eeuw ontving zij versterking van emigranten uit Nederland, die zich vooral in Michigan vestigden. In 1857 scheidde zich een minderheid af tot de Christian Reformed Church, die met Grand Rapids als centrum zich ontwikkeld heeft tot een krachtige kerk en die in de 20ste eeuw een nieuw steunpunt in Canada vond. In de Reformed Church (ca. 230000 leden) zijn twee stromingen, waarvan die in het oosten meer toegankelijk is voor liberale invloeden.

In recente tijd werd een poging ondernomen om tot vereniging te komen met een van de presbyteriaanse kerken. Tot dusver heeft men hiervoor evenwel niet voldoende steun kunnen vinden.

Lit.: A. EEKHOFF De Herv. Kerk in Noord-Amerika, 1624 1664 (2 dln.,1913); IDEM, Jonas Michaelius (1926); H. S. LUCAS, Netherlanders in America. Dutch immigration to the United States and Canada, 1789-1950 (1951) EM, Dutch immigrant memoirs and related wrnings (2 dIn., 1955).



Reformjodendom
of liberaal jodendom, godsdienstige hervormingsbeweging in het jodendom (* Joodse godsdienst) die, ontstaan in het begin van de 19de eeuw in Duitsland (o.a. Abr. Geiger, 1810 1874), haar grootste bloei bereikte in de Verenigde Staten. In tegenstelling tot het orthodoxe jodendom, dat een traditioneel standpunt huldigt, gaat het reformjodendom ervan uit dat zowel de mondelinge als de schriftelijke traditie een ontwikkeling kent en in iedere generatie opnieuw aan het oordeel van mensen wordt onderworpen. Het reformjodendom gelooft wel in de goddelijke inspiratie van de bijbelauteurs en leraren, maar tracht vast te stellen welke elementen in de joodse leer en levenspraktijken een eeuwig karakter dragen en welke vormen en gebruiken ontstaan zijn onder invloed van een bepaalde tijd en door een bepaalde achtergrond.

Dit biedt de mogelijkheid in iedere generatie opnieuw na te gaan of, en zo ja welke, veranderingen moeten worden aangebracht. Oorspronkehjk zag de reformbeweging de vorm van de eredienst en de veranderingen daarin als centraal; geleidelijk heeft de beweging zich in zuiver theologische zin ontwikkeld. Liberaaljoodse groepen in diverse landen stichtten in 1926 de World Union for Progressive Judaism te Londen (centrum sedert 1960 te New York). In de Verenigde Staten is het in 1875 gestichte Hebrew Union College (dat in 19~ een fusie aanging met het in 1922 gestichte Jewish Institute for Religion) het rabbijnenseminarium van de reformbeweging aldaar; het beschikt over een campus in Cincinnati, New York en Los Angeles en heeft sedert 1964 een afdeling voor bijbel en archeologie in Jeruzalem. ln Nederland zijn liberaaljoodse gemeenten in Amsterdam en Den Haag.

Lit.: 1. MAARSEN! De joodse Reformbeweging (1931); W. G. PLAUT The rise of Reform Judaism (1963);1). PHILIPSON, The Reform movement in Judaïsm (1967).



Remonstrantse Broederschap
is een protestants kerkgenootschap, ontstaan na de veroordeling van de remonstranten op de synode van Dordrecht in 1618, waar ca. 200 predikanten werden afgezet en uit de Nederlandse Hervormde Kerk werden uitgewezen. Dezen stichtten daarop in 1 6 1 9 te Antwerpen de Remonstrantse Broederschap. Tot 1630 werden de leden van de Broederschap in de Verenigde Nederlanden vervolgd; daarna konden schuilkerken worden gebouwd. Een kweekschool voor a.s. predikanten, in 1634 in Amsterdam geopend, werd in 1 873 naar Leiden verplaatst. Een bloeitijd beleefde de Broederschap in de tweede helft van de 19de eeuw door de opkomst van het modernisme. Sindsdien is zij het enige geheel vrijzinnige kerkgenootschap in Nederland.

In 1621 en in 1940 werden belijdenissen opgesteld, die geen onaantastbaar gezag pretenderen, maar wel willen oriënteren en voorlichten. In 1950 werd een nieuwe kerkorde aanvaard. Sedert 1963 zocht de Broederschap nauwere samenwerking met de Nederlandse Hervormde Kerk. De synode van deze kerk besloot in 1966 met de Broederschap bijzondere betrekkingen aan te gaan, waardoor intercommunie mogelijk werd. De Remonstrantse Broederschap, die ca. 25000 lidmaten telt, is aangesloten bij de in 1968 opgerichte Raad van Kerken in Nederland.



Rite
(v. Lat. ritus = godsdienstig gebruik, ceremonie) is de benaming voor alle plechtige handelingen die er in de godsdienst plaatsvinden. De rite hangt ten nauwste samen met de mythe, in die zin dat de rite de actualisatie tot stand brengt van de idee, de waarheid die in de mythe besloten ligt. Zo was de recitatie van de scheppingsmythe tijdens het Oudbabylonische nieuwjaarsfeest een rituele handeling, die ten doel had de vernieuwing te realiseren waarvan de schepping het archetype leverde. Vele godsdiensthistorici hebben in de culturen van niet-westerse en van antieke volken gezocht naar het mythisch-rituele patroon. Dit patroon kan ontbonden worden, zodat mythe en rite eigen wegen gaan.

Meestal handhaaft de rite zich en verkrijgt doorgaans een nieuwe betekenis. Naast de riten die de officiële eredienst constitueren en de riten die de seizoenen markeren (met name riten bij het zaaien en oogsten) onderscheidt men nog een aantal typen. De belangrijkste zijn de 'rites de passage', de riten die veranderingen in status symboliseren en begeleiden. Een synoniem hiervan is het crisisritueel, zo genoemd omdat dit ritueel vorm geeft aan snelle statuswijzigingen in de levensloop van de mens, zoals geboorte, volwassenwording, huwelijk en sterven. Een ander type is het intensiveringsritueel, een groepsrite die soms periodiek gehouden wordt en waarin de eenheid en solidariteit van de groep tot uitdrukking wordt gebracht.

In het verzoeningsritueel wordt het herstel van goede relaties, hetzij tussen groepen, hetzij tussen mensen en bovennatuurlijke wezens, gesymboliseerd. Weer een ander type is het ritueel waarin conilict tot uitdrukking wordt gebracht. In dit ritueel mogen onderdanen op voorgeschreven wijze, plaats en tijd hun leiders uitschelden, of mogen vrouwen zich als mannen gedragen. Kortom, mensen mogen het tegengestelde doen van wat hun door hun cultuur wordt voorgeschreven. In dergelijke 'rites of rebellion, (de term is van M. Gluckman) word en fundamentele tegenstellingen in een maatschappij als het ware 'gespeeld'. Sommige typen van godsdienst zijn arm aan riten, bijv. het oorspronkelijke boeddhisme. In andere vormen van godsdienst drukt het godsdienstig besef zich allereerst uit in een rijkdom van rituele verrichtingen, bijv. in de Oudegyptische Osirismysteriën, bij het Veda-offer, in de Oudchinese keizerlijke offerdienst, in de eredienst van de oosters-orthodoxe kerken.

Lit.: A. VAN GENNEP, Les rites de passage (1909); G. VAN DER LEEUW, Phanomenologie der Religion(1933-1956);M.ELIADE,Traité d histoire des religions (1949);C.J.BLEEKER, Structuur van de godsdienst (z.j.); M. GLUCKMAN, Essays on the ritual of social relations (1962); IDEM, Order and rebellion in tribal Africa {1962); E. NORBECK, African rituals of connict, in: Am. Anthropologist, 65 (1963); G. WIDENGREN, Religionsphanomenologie (1969).



Roemeens-Orthodoxe Kerk
is na de *Russisch-Orthodoxe Kerk de grootste onder de *oosterse kerken. Het christelijk geloof werd in de gebieden die thans de Roemeense socialistische republiek vormen, reeds in de 4de en 5de eeuw door Latijnse en Byzantijnse missionarissen verkondigd. In de loop der eeuwen werd de band met Constantinopel en het orthodoxe Oosten steeds sterker ten koste van het christendom in zijn Latijnse vorrn, al verdween de Latijnse invloed niet geheel. Na de verdrijving van de Turken op het eind der I 7de eeuw door keizer Leopold X kwam op een synode van Alba Julia (1698} een unie met Rome tot stand. De geunieerde (Grieks- Katholieke) Kerk, die aldus ontstond, behield haar eigen, Byzantijnse ritus. Zij verloor echter in de loop van de 18de eeuw de meeste van haar leden weer aan de orthodoxe kerk .

Deze verklaarde zich in 1864 zelfstandig (autocefaal) ten opzichte van het patriarchaat van Constantinopel, hetgeen in I B8s door Constantinopel werd erkend. De Roemeens-Orthodoxe Kerk, in 1925 tot patriarchaat verheven, telt thans 12 bisdommen met ruim 14 miljoen gelovigen. 1n I949 werden de organisatie en het functioneren van de kerk in een door de regering goedgekeurd kerkelijk statuut vastgelegd. Het hoogste gezag berust bij de H. Synode, die gepresideerd wordt door de patriarch. Er zijn ruim 9000 dienstdoende priesters, voor de priesteropleiding zijn er zes seminaries en twee theologische instituten (Boekarest en Sibiu). De kerk kent een vrij sterk ontwikkeld kloosterleven en ontplooit een opmerkelijke activiteit op publicistisch gebied. De voornaamste tijdschriften die het patriarchaat (via een eigen drukkerij) uitgeeft, zijn: Biserica ortodoxs Romana (maandblad), Ortodoxia (driemaandelijks) en Studii teologice (maandelijks tijdschrift van de theologische instituten).

De Roemeens-Orthodoxe Kerk is sinds 1961 lid van de Wereldraad van Kerken en onderhoudt intensieve contacten niet alleen met de andere orthodoxe kerken, maar ook met de protestantse en anglicaanse kerken. De relatie met het Vaticaan wordt o.a. bemoeilijkt door de ophefEmg van de met Rome geunieerde Grieks-Katholieke Kerk in 1948.



Roomsch-Katholieke Kerk van de Oud-Bisschoppelijke Cleresie,
z OudKatholieke kerken.



Rooms-Katholieke Kerk, LEER.
STRUCTUUR.
ONTWIKKELING
STATISTIEK
de christelijke geloofsgemeenschap van over heel de wereld verspreide, door bisschoppen bestuurde plaatselijke kerken die in de verbondenheid met de bisschop van Rome (de paus) het zichtbaar teken van hun onderlinge saamhorigheid erkennen. Zij wordt aangeduid als 'rooms wegens de centrale plaats die de bisschop van Rome als opvolger van Petrus in het bisschoppencollege inneemt. Deze centrale plaats werd uitdrukkelijk onderstreept door het Eerste Vaticaans Concilie (1870), dat de onfeilbaarheid van de paus bij plechtige uitspraken (ex cathedra) over geloof en zeden als kerkelijk leerstuk bevestigde. Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965} heeft daarna en daartegenover bijzondere nadruk gelegd op het collegiale karakter van het kerkelijk bestuur. Dat de Rooms-Katholieke Kerk zich zelf katholiek (het Griekse woord katholikos betekent: algemeen) noemt, wil zeggen dat zij in principe openstaat voor iedere cultuur en voor de mensen van alle tijden en van de gehele wereld, waartoe zij ook een zendingsopdracht (missie) heeft.

Ondanks haar intentie 'de éne ware kerk van Jezus Christus' te zijn, is de Rooms-Katholieke Kerk in feite een eigen groepering geworden binnen het christendom (* Christendom: vertakkingen). Als zodanig is zij duidelijk onderscheiden van
a. de diverse *oosterse kerken;
b. de kerken voortgekomen uit de Reformatie, en
c. de groeperingen die zich na de kerkscheuring van de 16de eeuw nog hebben afgescheiden, zoals bijv. de Roomsch-Katholieke Kerk van de Oud-Bisschoppelijke Cleresie (z Oud-Katholieke kerken), de Petite Église de Lyon, de Tsjechische Nationale Kerk, enz.



LEER.
De Rooms-Katholieke Kerk belijdt dat Jezus Christus in haar voortleeft door zijn geest, die zich uit in de liturgie (de prediking en de viering van de sacramenten, met name van de eucharistie) en in de diaconale taken van de kerk, welke zich concentreren om de zorg voor de armen in de ruimste zin van het woord.

Zij verschilt van de kerken der Reformatie vooral in haar opvattingen over de verhouding van Schrift en Kerk, over het ambt, over het getal en de aard der sacramen ten (genademiddelen) en over de aard der rechtvaardiging (genade leer). De verschillen met de orthodoxe kerken van het Oosten betreffen meer de mentaliteit dan de leer. Een grote moeilijkheid voor de orthodoxe kerken vormt de erkenning van de unieke plaats (het primaat) van de bisschop van Rome in het bisschoppencollege.



STRUCTUUR.
Men onderscheidt in de Rooms-Katholieke Kerk de Latijnse of Westerse Kerk en de verschillende gednieerde Oosterse Kerken. Deze laatste zijn verdeeld in patriarchaten, kerkprovincies en bisdommen. De Westerse Kerk bestaat uit bisdommen, meestal gegroepeerd tot kerkprovincies, met aan het hoofd een metropoliet (aartsbisschop). Elk bisdom is weer ingedeeld in dekenaten en parochies. Iedere bisschop bezit voor zijn eigen bisdom een volledig eigen gezag als leraar, opperpriester en herder, dat niet ontleend is aan dat van de paus, maar wel daaraan ondergeschikt is. In missiegebieden waar de kerkelijke hiërarchie nog niet gevestigd is, zijn apostolische vicariaten, waarin de apostolisch vicaris de bisschoppelijke rechtsmacht niet in eigen naam maar in naam van de Heilige Stoel uitoefent.

In de lijn van de collegialiteitsgedachte ligt de door het Tweede Vaticaans Concilie bevorderde instel}ing van bisschoppenconferenties en een bisschoppensynode. Sinds het laatste concilie heeft bovendien raadpleging van de gelovigen door middel van pastorale raden ingang gevonden. De mogelijkheid van een grotere democratisering is daarrnee gegeven.



ONTWIKKELING
(ook * Christendom}. Historisch gezien en (dus) afgezien van haar intentie heeft de Rooms-Katholieke Kerk als instituut in de wereld sinds haar ontplooiing in de 3de eeuw het feitelijke verloop van de geschiedenis van het Westen én van de wereld in belangrijke mate mede bepaald. Heel de middeleeuwen door waren kerkpolitiek en iprofane' politiek onscheidhaar met elkaar verweven, waarbij de gedachte van de hernieuwing van het Romeinse wereldrijk in ideële zin ('Roma aeterna', het eeuwige Rome) op de achtergrond meespeelde.

Deze gedachte, op verschillende, vaak tegengestelde wijze geïnterpreteerd door paus en keizer, leidde soms tot samenwerking tussen beiden (ten tijde van Karel de Grote, Otto III), vaker en vooral sedert paus Gregorius Vll (I073-lO8S) tot verbitterde strijd. Onder Gregorius' grote geestelijke nazaat paus Innocentius III (1198-1216) en vooral onder Bonifatius VlIl (1294-l303) namen de theorieën over de universele geestelijke macht van de kerk vormen aan die een regelrechte theocratie suggereerden. De overwinning die het pausdom behaald had op de keizerlijke macht, had echter tevens de éne christelijke wereldstaat (de respublica christiana) die men voor ogen had, beroofd van een van de twee pijlers (paus en keizer) die het geheel moesten schragen. De machtsaanspraken van Bonifatius VlIl konden dan ook slechts in de vorm van theorieën gehandhaafd blijven en zich in de werkelijkheid van de politieke situatie, met name door de opkomende nationale machten, niet doorzetten.

Na het uiteenvallen van de westerse christenheid in diverse kerkgemeenschappen ten gevolge van de Reformatie heeft deRooms-KatholiekeKerk in de tweede helft van de 16de eeuw zeer duidelijk vorm en gestalte gekregen door de uitwerking en doorwerking van de zgn. Contrareformatie, die de geest en de decreten van het Concilie van Trente vertaalde (en de eerste soms vervormde) door een reeks van instituties die ongeveer vier eeuwen lang hebben stand gehouden. Als typisch rooms-katholieke kenmerken golden sindsdien: de centralisatie van haar bestuur, de klerikalisering van haar beleid, haar mondiale eenheid en haar sterke gezagsstructuur.

Deze kenmerken, niet te verwarren met de predikaten van dé kerk (eenheid, heiligheid, katholiciteit. apostoliciteit), kwamen bijv. vooral tot uiting in haar pausschap, de plaats en betekenis van haar roisschoppen en priesters, het gebruik van het Latijn als officiële taal (ook in de eredienst) en haar controle op en discipline in leer en zeden. Als eén, niet geheel juiste, samenvatting van dit totale complex werd en wordt vaak de term 'Rome' gebruikt; het daarvan afgeleide adjectief iRooms' betekende oorspronkelijk gewoon 'Romeins' (vgl. bijv. Heilige Roomse Rijk), maar kreeg vooral sinds de 16de eeuw een meestal pejoratieve bijklank (Marnix' Byencorf der H. Roomsche Kercke) en kon daardoor ander zijds voor rooms-katholieken een eretitel worden (vgl. bijv. het slot van De Heerlyckkeit der Kercke).

Inderdaad vertoonde de Rooms-Katholieke Kerk van alle christelijke kerken de verst doorgevoerde institutionalisering, de meest mondiale missionering, de machtigste organisatie, de sterkste uniformiteit en het strengst gesloten systeem. Het zou echter historisch onjuist zijn, dit 'model' zonder meer toe te passen op de vier eeuwen rooms-katholieke kerkgeschiedenis sinds Trente. Vooreerst is veel van wat in de Rooms-Katholieke Kerk aanwezig was, in meerdere of mindere mate te vinden in andere christelijke kerken, wegens haar gezamenlijke middelecuwse, patristische en bijbelse voedings- en ontstaansbodem. Vervolgens zijn er in die laatste vier eeuwen duidelijke fluctuaties aan te wijzen in dit rooms-katholieke patroon: de Rooms-Katholieke Kerk van de barok is niet zonder meer dezelfde als die van de Verlichting;
met name de 18de ecuw vertoont een aanmerkelijke fiverslapping' van de als typisch geldende rooms-katholieke kenmerken. En ten slotte is het image van die Rooms-Katholieke Kerk, via een gecompliceerd proces van projectie en terug-koppeling, historisch vertekend door het Igde-eeuwse ultramontanismes dat een verheviging bewerkt heeft van het echte rooms-katholicisme en daardoor voor velen, zowel binnen als buiten de Rooms-Katholieke Kerk, het beeld van één centraal geleide machtsinstantie versterkt heeft (vaak gepaard gaande met een - onjuiste, doch begrijpelijke- identificatie met jezuietisme). Zijn officiële hoogtepunt bereikte dit in het Eerste Vaticaans Concilie. het feitelijke hoogtepunt onder de pontificaten van Pius Xl en Pius Xn.

Dat dit beeld inderdaad niet helemaal klopte, bleek, toen diezelfde RoomsKatholieke Kerk schijnbaar plotseling onder Johannes XXIII een andere koers insloeg. 'Aggiornamento' (Ital., = bij de tijd brengen) werd een nieuwe term, maar voor een oude wens. De binnenkerkelijke kritiek nl., die nooit geheel verstomd was (jansenisme, Katholische Aufklarung, Oud-katholieke kerken, synode van Pistoja, modernisme, Reformkatholizismus), maar die vaak tot buitenkerkelijke groepsvorming had geleid, had reeds lang geprotesteerd tegen de te grote nadruk op het 'rooms' in rooms-katholiek: tegenover het luide etaleren van het eigene groeide telkens weer het verlangen naar het accent op 'katholiek', d.i. algemeen. Vooral in de theologie herontdekte men steeds meer, wat de Rooms-Katholieke Kerk gemeenschappelijk had met andere kerken (bijv. de Tubinger School, J. H. Newman) en met name het 'ressourcement', de herbronning op bijbel, kerkvaders en liturgie bracht een revalorisatie van de oorspronkelijke gemeenschappelijke basis; bovendien dwongen de voortschrijdende secularisatie van de maatschappij en de kosmopolitisering van de cultuur al le christelijke kerken tot een grotere samenwerking (* Life and Work) en tot herbezinning op geloof en leer (Faith and Order).

Uiteraard verliep (en verloopt) deze koerswijziging niet zonder moeili.~kheclen: én van de ziJde van rooms-katholieken die moeilijk afscheid konden nemen van een 'eigen' kerkbeeld, én van de kant van niet-katholieken die tot hun verbazing wijzigingen moesten constateren in een vaak fel bestreden irnage. Het grote verschil met vroegere reformtendenzen binnen de RoomsKatholieke Kerk lijkt echter het feit, dat dit aggiornamento ofilcieel gesanctioneerd is door het Tweede Vaticaans Concilie, dat ten principale brak met wezenlijke elementen in het traditionele beeld. Niettemin bestaat er nog steeds een spanning tussen de aloude centralistische denktrant en de sedert dit concilie opbloeiende waardering voor de pluriformiteit der plaatselijke kerken. Deze spanning zal wel nooit geheel tot het verleden behoren, omdat zowel het behoud van de eenheid als de ruimte voor veelvormigheid in de structuur van het kerkelijk beleid betrokken dient te worden.

Inzake de *oecumenische beweging heeft de Rooms-Katholieke Kerk zich bereid verklaard geen eigen oecumenische beweging op gang te willen brengen, doch zich te willen invoegen in de ene oecumenische beweging. Hoewel nog geen lid van de Wereldraad van Kerken, is zij toch tot een nauwe en permanente samenwerking met de Wereldraad gekomen. Op landelijk niveau is hier en daar een lidmaatschap van nationale raden van kerken een feit geworden (bijv. in Nederland). Ook zijn de betrekkingen tot vele andere kerken sinds het Tweede Vaticaans Concilie aanzienlijk verbeterd.

Een zekere voorkeur lijkt daarbij uie te gaan naar intiemere verhoudingen tot die kerken (met name de Oosters-Orthodoxe en de Oud-katholieke kerken) waarmee de Rooms-Katholieke Kerk zich in geloof, liturgie en episcopale structuur bxjzonder nauw verwant weet. Dat neemt niet weg dat ook met de anglicaanse gemeenschap en met kerken uit de Reformatie belangrijke besprekingen worden gevoerd, waardoor een groeiende herkenning van elkaar als kerken van Jezus Christus aan het tot stand komen is. Dank zij deze ontwikkeling wordt hereniging der kerken van de Rooms-Katholieke Kerk uit steeds minder gezien als een terugkeer tot haar als moederkerk.



STATISTIEK.
De Rooms-Katholieke Kerk is de grootste religieuze gemeenschap ter wereld. Ongeveer de helft van haar gelovigen leeft in landen van de Derde Wereld. Europa telt 250 miljoen katholieken, Noord-Amerika (Verenigde Staten en Canada) 56 miljoen, Latijns Amerika 226 miljoen, Azië 41 miljoen, Afrika 31 miljoen en Australië met Oceanië 4 miljoen: een totaal van 608 miljoen. Het totaal aantal priesters bedraagt ca. 430000, dwz. één priester per 1400 katholieken. Er waren in 1971 in de Rooms-Katholieke Kerk bijna 1,5 miljoen leden van diverse religieuze instituten, nl. ca. 330000 mannen (verdeeld over 216 mannelijke religieuze instituten) en ruim 1 miljoen vrouwen (verdeeld over 1075 vrouwelijke religieuze instituten).

De territoriale indeling van de Rooms-Katholieke Kerk omvatte in 1973 13 patriarchale zetels, 469 aartsbisdommen, I 695 bisdommen, 102 prelaturen, 22 abdijen 'nullius', 26 exarchaten (oosterse ritus), 84 apostolische vicariaten, 67 apostolische prefecturen en 4 missiegebieden 'sui juris'. Het college der kardinalen telde in dat jaar 135 leden. Over de gehele wereld waren de bisschoppen georganiseerd in 97 (vnl. nationale) bisschoppenconferenties.

De Nederlandse kerkprovincie omvat sedert 1956 zeven bisdommen: Utrecht (aartsbisdom), Groningen, Haarlem, Rotterdam, Den Bosch, Breda en Roermond. Het aantal rooms-katholieken bedroeg bij de volkstelling van 1971 ca. 5274000. België, waar ca. 90% van de bevolking tot de Rooms Katholieke Kerk behoort, is sinds 1967 ingedeeld in acht bisdommen: Mechelen-Brussel (aartsbisdom), Antwerpen, Luik, Hasselts Namen, Gent, Doomik en Brugge. Lit.: A. FLICHE en V. MARTIN, Histoire de l'Église depuis les origines jusqu'à nos jours (22 dln., sedert 1918) . JEDIN, Handbuch der Kirchengeschichte (6 dln., 1962 vv.}; R. POST en G. A. M. ABHINK, Handboek van de kerkgeschiedenis (4 dln., 1962-l965}; F. Heyer, Die katholische Kirche von 1648 bis 1870 (Die Kirche in ihrer Geschichte, N l; 1963); G. BARAUNA (red.), De kerk van Vaticanum IE ( 1966); H. BERKHOF e.a., Protestantse verkenningen na Vaticanum 1l (I g67); G. C. BERKOUWER, Nabetrachtingen op het concilie (1968); G. MARON, Die römisch-katholische Kirche von 1870 bis 1970 (Die Kirche in ihrer Geschichte, N 2; 1972); M. DRUON, L'Eglise qui se trompe de siecle (1972). - Bronnenverzameling: C. MIRBT, Quellen zur Geschichte des Papsttums und des römischen Katholizismus (51934; dl. I d. K. ALAND, 6 l967; enigermate eenzijdig). - Statistiek Atlas zur Kirchengeschichte. Die christlichen Kirchen in Geschichte und &egenwart, uitgeg. d. H. JEDIN, K. S. LATOURETTE en J. MARTIN (1970); Annuario Pontificio (1974).-Bibliografe: lopende bibliografie driemaal per jaar in Revue d'histoire ecclésiastique (Leuvenl en in Archivum historiae pontificiae (jaarboek van de Gregoriana te Rome). - Ter verdere oriëntatie: de tijdschriften Katholiek Archief (sedert 1970: Arehief van de Kerken), Herder-Korrespondenz, Documentation Catholique, en de grote lexica; zeer instructief is bijv. een artikelsgewijze vergelijking van WETZER en WELTE, Kircherlexikon (1847 I860, 21882-1903) met zijn opvolgers: BUCHBERGER, Kirchliches Handlexikon (1907 1912, 2 1923) en Lexikon fur Theologie und Kirche (1930 I938 én2197-1967). - Over de siewrie in Nederland. L. 1. ROGIER, Geschiedenis van het katholicisme in Noord-Nederland in de 16de en 17de eeuw (3 dln., 1946, herdr. in 5 dln., 1964); IDEM, Katholieke Herleving. Gesehiedenis van katholiek Nederland sinds 1853 (I956, 21962); T. L. HAITJEMA, Godsdienstige richtingen en kerkelijke modaliteiten (I959); A. G. WEILER, O. J. DE JONG, L. J. ROGIER en C. W. MÖIYNICH, Geschiedenis van de kerk in Nederland (1962); J. C. P. VAN LAARHOVEN, Een kerkprovincie in concilie (1965); D. DE LANGE, lle crisis van het Nederlandse katholicisme (1966); J. VAN PUTTEN, Zoveel kerken, zoveel zinnen (1968; diss.); P. VAN HOOYDONK en J. P. GROOT, Platteland en kerkvernieuwing (1968), P. H VRUHOF, Bijdragen tot de sociologie van godsdienst en kerk (1970), O. J. DE JONG, Nederndse kerkgeschiedenis (I973). Buitenlandse lit. over de kath. kerk in Ned., 1965-1970, in: Archief voor de gesch. v.d. kath. kerk in Ned., 13 ( 1971), blz. 26I-275; voorts de Jaarboekerl v.h. Kath. Documentatie Centrum, Nijmegen (vanaf 1971) en het hist. tijdschr. Arehlef v.d. geschied. v.d. kath. kerk in Ned. Over de situstie in Belgie. E. DE MOREAU SJ., L'histo}re de l'église en Belgique (5 dln., 1940 1952), samengevat in L'église en Belgique. Des origines au déhut du xxe siecle ( 1946); J. KERKHOFS en J. VAN HOUTTE, De Kerk in Vlaanderen (1963); Kerkelijk jaarboek voor België {Annuaire cath. de Belgique). Voor godsdienstsociologische studies en statistieken zijn vooral belangri~k: Lumen Vitae (maandelijks, Brussel) en Katholiek Archief (wekelijks, Amersfoort-Brussel).



Rozekruisers, Broederschap der,
ook Broederschap R.C. (Rosae Cracis), noemde zich in het begin van de 1 7de eeuw een kleine groep lutherse geleerden, naar zij voorgaf gesticht door een zekere Christian Rosenkreutz ( 1378 1484). Deze groep deed in de jaren 1614-1617 enige anonieme geschriften verschijnen die het ontstaan, de toenmalige toestand en een werkprogramma van de broederschap schetsten en veel opzien baarden. De grondstellingen van de ' Rozekruisers' werden verder uitgewerkt in geschriften van de met hen sympathiserende Duitse geneesheer en alchemist M. Maier en de Engelse geneesheer R. Fludd. In het verdere verloop van de 17de en 18de eeuw bleek het bestaan van verscheidene andere geheime Rozekruisersgenootschappen. niet alleen in Duitsland, maar ook in Engeland, Frankrijk en Amerika. Zij waren dikwijls overwegend alchemistisch en deels christelijk, deels zuiver humanitair-ethisch geïnspireerd. Een der belangrijkste, de in negen graden georganiseerde Orden der Gold- und Rozenkrevtzer, verbreidde zich vooral in Midden-Europa en kreeg nauwe banden met de vrijmetselarij; ze werd eind 18de eeuw ontbonden. Sedert eind 19de eeuw is de Rozekruisersbeweging herleefd in een aan tal organisaties met het karakter van geheime genootschappen. De voornaamste in Nederland en België vertegenwoordigde organisaties zijn The Ancient Mystical Order Rosse Crusis of Aloude Mystieke Orde Rosae Crusis, afgekort AMORC, gesticht in 1909 The Rosicrucian Fellowship, eveneens in 1909 opgericht, en het daarvan in 1934 als zelfstandig Nederlands genootschap afgescheiden Lectorium Roszerucianum. Lit.: F. L. GARDNER, A catalogue raisonné of works in the occult sciences, 1: Rosicrucian books (21923); F. WITTEMANS, Geschiedenis der Rozekruisers (Ig24); B. BEYER, I}as Lehrsystem des Ordens der Gold- und Rosenkreutzer (1925); R. KIENAST, J. V. Andrcae und die vier echten Rosenkreuzschriften (1926); W. E. PEUCKERT, Die Rosenkreutzer (1928;2l933);A. MARX,DieGold-undRosenkreutzer(1930);A.SANTlNG, De historische Rozenkruisers en hun verband met de vrijmetselarij, in: Bouwstenen, alg. tijdschrift v. symboliek, V-VII (I930 1932); G. KRixGER, Die Rosenkreuzer (1932); H. SCHICK, Das altere Rosenkreuzertum (1942); P. ARNOLD, Histoire des rose-croix et les origines de la franc-masonnerie (1955). Propagandistischegeschriften: H. JENNINGS, The Rosicrucians. their rites and mysteries (1870); A. E WAITE, The real history ofthe Rosicrucians (1887); M. HEIDEL, The Rosicrucian cosmo-conception (1910; Ned. vert. in 3 dln., 1933 1939). IDEM, The Rosicrucian mysteries (191 l; Ned. vert. I926); A. KERDIJEC, Mysteriën van het Rozekruis (1912, vert. v. Fama Fraternitatis enz.); A. E. WAITE, The Brotherhood of the Rosy Cross 1924); H. SPENCER LEWIS, Rosicrucian questions and answers with completo history ofthe Order (3 1941); J. YAN RYCKENBORCH (geschriften z.j.): Dei gloria intacta. De komende nieuwe mens, Het universeLe pad, De universele gnosis, Elementaire wijsbegeerte van het moderne Rozekruis, e.a.



Russisch-Orthodoxe Kerk,
PERIODE VAN KIËV.
PERIODE VAN MOSKOU.
SYNODALE PERIODE.
KERK IN DE SOVJET- UNIE.
de grootste en belangrijkste der *oosterse kerken. sedert 1448 zelfstandig en tot 1905 in Rusland als enige staatskerk erkend.



PERIODE VAN KIËV.
Alhoewel voor het einde van de lode eeuw het christendom vanuit het Westen en uit Bulgarije enige invloed in het oude Rusland (vorstendom Kiëv) uitoefende, lijkt de eigenlijke kerstening van deze streek vanuit Constantinopel te hebben plaatsgevonden. Na politieke verwikkelingen huwde vorst Vladimir van Kiëv (980 10l5) een zuster van de Byzantijnse keizer en werd christen. Bij zijn terugkomst in Kiëv werd volgens de kroniekschrijvers de bevolking in de Dnepr gedoopt (989). In 1037 werd de jonge kerk als metropolie (eerste metropoliet Theopemptos) bij het Byzantijnse patriarchaat ingedeeld.

Tot in de tfde eeuw waren bijna alle metropolieten en de meeste suffragaanbisschoppen van Griekse afkomst. Deze hiërarchie voerde de Byzantijnse liturgie en het Byzantijnse kerkrecht in. Als vanzelf volgde de Russische kerk Constantinopel, toen het zich in de 11de eeuw van Rome losmaakte, hoewel de Russische kerk tot in de 13de eeuw contacten met de Latijnse kerk onderhield.

Ondanks de sterke banden met Constantinopel heeft zij vanaf het begin een zekere zelfstandigheid bewaard. Via de handelswegen verspreidde het christendom zich naar het westen en het noorden tot in Novgorod. Uit de XIde eeuw dateert het eerste klooster, de bakermat van het Russische monachisme, het Petsjerskaja Lavra (Holenklooster} te Kiëv. In 1240 bezetten de Mongolen, die anderhalve eeuw Westllusland zouden overheersen, de stad Kiëv. Toen deze stad een tweede maal verwoest werd, verplaatste metropoliet Maximos zijn zetel naar Vladimir; zijn opvolger vestigde zich definitief in het nieuwe centrum, Moskou (1325).



PERIODE VAN MOSKOU.
Terwijl Zuidwest-Rusland langzaam onder de invloed van het Latijnse Polen en Litouwen kwam, ontwikkelde de metropolie van Moskou zich tot een onafhankelijke kerk.
Toen de laatste Griekse metropoliet, Isidoor, op het Concilie van Florence (1439) de eenheid met Rome aanvaard had, werd hij bij zijn thuiskomst door grootvorst Vassili gevangengezet. Toen men vernam dat ook de patriarch van Constantinopel Rome erkend had, brak Moskou alle banden met de moederkerk en in 1448 riep metropoliet Jona de autocefalie (onafhankelijkheid) van de Russische kerk uit. Ivan lv de Verschrikkelijke slaagde erin de onafhankelijkheid van zijn kerk door Constantinopel te doen erkennen: de metropolie werd verheven tot patriarchaat (1589) en kreeg de vijfde plaats in de rangorde van Byzantijnse patriarchaten. De Russische Kerk telde toen vier rnetropolieën, zes aartsbisdommen en acht bisdommen. Uitdrukkelijk moest Moskou echter Constantinopel als hoofd van de orthodoxie erkennen. Hiermee gaf zij een deel van haar isolement op.



SYNODALE PERIODE.
Peter de Grote (1689 1725) opende 'het venster op het Westen' en verplaatste de hoofdstad van het rijk naar St.-Petersburg. Nieuwe ideeën drongen binnen. De secularisering van het kerkelijk leven nam een aanvang en vond haar uitdrukking in het 'Geestelijk Reglement' dat werd samengesteld door de met het protestantisme sympathiserende hisschop F. Prolcopovitsj en door Peter in 172I werd afgekondigd.

De geest van dit stuk is zeer onbyzantijns en gaat in tegen de Russische traditie. Het patriarchaat werd opgeheven en de hoogste leiding van de kerk kwam in handen van een bestuurslichaam, genaamd de H. Synode, een college bestaande uit bisschoppen en enkele priesters; het geheel onder leiding van een procureur, een leek die shet oog van de tsaar' werd genoemd. In feite werd de kerk hierdoor economisch en administratief geheel van de staat afhankelijk. De opvolgers van Peter, speciaal Catharina 1l (1762-1796), hebben deze principes toegepast: nationaliseren van kloostergoederen, zware straffen voor elke oppositie. Deze periode kende echter ook andere aspecten het missiewerk bloeide (Siberië, Alaska), gesteund door de missiologische studies aan de Academie van Kazan; de intellectuele en geestelijke vorming van de clerus kreeg bijzondere aandacht en het intellectuele en geestelijke leven bloeide op.

Velen echter kwamen in strijd met de kerkelijke leiding. Want onder invloed van procureur K. Pobjedonotsev (1880-l905) voerde de staat, hierin gesteund door vele bisschoppen, een felle strijd tegen alle vernieuwing en speciaal tegen de liberale en socialistische tendensen uit het Westen. Men voerde een gettopolitiek. Toch moest tsaar Nicolaas 1l onder druk van verschillende zijden de voorbereiding van een plaatselijk concilie toestaan en bepaalde vrijheden toekennen. Pas onder de regering-Kerenski kon dit concilie bijeenkomen (1917). Er werd een aantal hervormingen aangenomen en het patriarchaat werd hersteld. Metropoliet Tichon werd tot patriarch gekozen (15 nov. 19l7). Aan de vooravond van de grote revolutie telde de Russische Kerk loo miljoen gelovigen, verdeeld over 67 bisdommen, slooo priesters, 15000 diakens, 70000 kerken en kapellen, 20000 mannelijke en 70000 vrouwelijke religieuzen.



KERK IN DE SOVJET- UNIE.
In de chaotische toestand van de revolutie en de strijd tegen Duitsland was het onmogelijk de besluiten van het concilie uit te voeren. Een gedeelte van de Russische clerus en duizenden gelovigen weken uit naar het buitenland. Zij stichtten in Amerika en Europa onafhankelijke kerken: de Kerk van de Episcopale Synode in het buitenland, de Metropolie van Amerika (die in 1970 door de patriarchale Kerk van Moskou als autocefale kerk is erkend), de Russisch-Orthodoxe Kerk in Europa (die van Constantinopel aihing, zich in 1965 onafhankelijk verklaarde, maar in 1971 weer terugkeerde onder de jurisdictie van Constantinopel), enkele kleinere groeperingen en ten slotte de patriarchale kerk die het gezag van Moskou aanvaardt. In Rusland zelf vaardigde de sovjetregering spoedig decreten uit die de vrijheid van de kerk aldaar drastisch aan banden legden: scheiding van kerk en staat en van kerk en school, onteigening van alle kerkelijke bezittingen, zware belastingen. De protesten van de kerk hadden tot gevolg dat vele bisschoppene priesters en gelovigen gevangen werden genomen. Een felle atheïstische campagne kwam op gang.

Na de dood van patriarch Tichon (1925) mocht geen opvolger gekozen worden. Plaatsvervangers volgden elkaar op zonder dat zij door de staat erkend werden. Toen metropoliet Sergi in 1927 uit de gevangenis terugkeerde, verklaarde hij zich loyaal tegenover de sovjetregering en kreeg verlof een voorlopige synode samen te stellen, die praktisch geen enkele macht had. De houding van de kerkelijke leiders tegenover de staat bracht onder de gelovigen grote verdeeldheid teweeg, hetgeen leidde tot het oprichten van onafhankelijke groepen als 'De Levende Kerk', `De Kerk van de Wedergeboortew, 'De Unie van de parochies van de oudapostolische Kerk', 'Jozefieten' e. a. De toestand werd steeds onoverzichtelijker. Aanhoudend nam de regering nieuwe maatregelen tegen de kerk. In 1938 waren in de Sovjet-Unie bijna alle kerken gesloten. Slechts enkele bisschoppen en priesters bevonden zich in vrijheid.

Op 22 juni 1941 viel het Duitse leger Rusland binnen. Dezelfde dag riep mettopoliet Sergi alle orthodoxen op om het vaderland te verdedigen. Gedurende de strijd heeft de kerk al het mogelijke gedaan om de staat te steunen. Deze matigde zijn antikerkelijke maatregelen. In sept. tg43 werd een overeenkomst gesloten met de kerk, die beloofde zich loyaal achter de politiek van de regering te stellen. Stalin van zijn kant stond toe een patriarch te kiezen (metropoliet Sergi, die in I945 werd opgevolgd door Aleksi en in 1971 door Pimen), 70 bisschoppen te benoemen, twee kerkelijke academies en acht seminaries te openen en een aantal parochies op te richten.

Bisschoppen en priesters keerden terug uit gevangenschap. In 1945 werd een kerkelijk statuut opgesteld. In de Sovjet-Unie herleefde de kerk; ook in de andere Slavische landen en zelfs in de rest van de orthodoxe wereld ontplooide de Russische Kerk haar activiteiten. Aanvankelijk stond zij afwijzend tegenover de oecumenische beweging in het Westen, maar in 1961 (New Delhi) trad zij toe tot de Wereldraad van Kerken. Aan alle belangrijke bijeenkomsten daarvan nemen haar vertegenwoordigers thans deel. In de Sovjet-Unie zelf is echter de laatste jaren de werkzaamheid van de kerk weer beperkt. Volgens het nieuwe parochiestatuut (1961) is de functie van de geestelijkheid teruggebracht tot het uitoefenen van de cultus. Het bestuur van de parochie ligt in handen van leken. Inmiddels zijn vijf seminaries gesloten en is het aantal kerken gehalveerd tot lo ooo. Men schat het aantal gelovigen op 30 à 50 miljoen.

In Nederland heeft de Russisch-Orthodoxe Kerk verscheidene kerken en kapellen, o.m. te Den Haag, Rotterdam, Amsterdam en Haarlem.

Lit.: A. AMMANN, Abriss der ostslawischen Kirchengeschichte (1950); J. KOLOGRIVOFS ESsai sur la saintete en Russietlgs3); S. SMOLITSCH, Russisches Mönchtum (1953); A.AMMANN, Untersuchungen zur Geschichte der kirch]ichen Kultur und des religiösen Lebens bei den Ostslawen (1955), H. SCHAEDER, Moskau das dritte Rom (21957) STRUVE, Les chrétiens en URSS (I963); J. SMOLITSCH, Geschichte der russischen Kirehe 1700 1917,1(1964}; JOH. CHRYSOSTOMtJS, Kirchengeschichte Russlands der neuesten Zeit (3 dln., 1965-1968); K. ONASCH, Russische Kirchengeschichte, in: Die Kirche in ihrer Geschichte, 3/1 (1967); E. VON IVANKA (red.), Handbuch der Ostkirchenkunde (1971)