1850 - 1900 FRANKRIJK : DE VOORGESCHIEDENIS


"Welnu, men zegt dat de raadsels van de Sfinx er vele waren, maar dit raadsel dat aan Oeidipus werd voorgelegd, was het belangrijkste : Wat is viervoetig in de ochtend, tweevoetig op de middag en drievoetig op de avond ?

Wat het antwoord van Oeidipus was is niet bekend, sommigen zeggen dat het het leven van de mens weergeeft.

Dit is echter niet juist. Want het vierkant moet allereerst onder ogen worden gezien : de vier elementen. Vandaar komen wij op de hemisfeer, de halve cirkel, met zijn twee lijnen, de rechte en de kromme, met andere woorden : de halve maan ; en vervolgens komen we bij de driehoek, gevormd door lichaam, geest en ziel of Zon, Maan en Mercurius. Hierom zegt Rhazes in zijn brief dat de Steen driehoekig is in essentie, maar vierhoekig in Kwaliteit."

Michael Maïer

 

Op het einde van de 19° eeuw ontstonden er in Frankrijk twee belangrijke Ordes : ‘L’Ordre Kabbalistique de la Rose+Croix’ en ‘Le Suprême Conseil de L’Ordre Martiniste’.

Het spreekt vanzelf dat Ordes niet zo maar worden opgericht maar dat ze een voorgeschiedenis kennen. Meestal zijn Ordes het gevolg van een bepaald klimaat of resultanten van een bepaalde idee.

Sommige historici beweren dat het esoterisme aan een heropleving toe was vanaf 1875 in haast alle landen van de Europese en Amerikaanse cultuur. Niets is echter minder waar. Een gedetailleerd onderzoek spreekt dit tegen. Het verschijnsel beschouwen als een ‘fin du siècle’ fenomeen is al evenmin waar. In de jaren 1800 tot 1900 is er gelijk gespreid over de tijd telkens sprake van een of andere Orde, Genootschap of samenkomst van occultisten en mystici.

Uit een studie gemaakt in de negentiende eeuw weten we dat alleen in Zuid-Frankrijk tussen 1800 en 1850 een kleine 200 Ordes, secten en groeperingen werden geteld.

De figuren die nu volgen spelen allen een belangrijke rol in de geschiedenis van de occulte en esoterische broederschappen en zijn in sommige gevallen onrechtstreeks aanleiding tot het ontstaan of vergaan van Ordes.

Zo zullen we vrij snel ontdekken dat de Martinistenorde niet is ontstaan in 1891 bij de oprichting van de Suprême Conseil maar dat er al aktiviteiten waren over de ganse 19° eeuw.

 

Eliphas Lévi

Alphonse Louis Constant werd geboren op 8/2/1810. Zijn pseudoniem die hij later aannam ‘Eliphas Lévi’ is een van de grote figuren in het occulte en esoterische wereldje van de negentiende eeuw. Tijdens zijn schoolperiode stond hij onder invloed van abbé Frère-Colonna die hem de weg wees naar de magie. Nog voor hij tot priester zou worden gewijd, zo wou zijn moeder het, verliet hij het seminarie in juni 1836.

Dankzij een toevallige ontmoeting met Flora Tristan, grootmoeder van Gauguin, en feministe avant la lettre, kwam hij in contact met de linkse Franse intellectuelen zoals Honoré de Balzac en Alphonse Esquiros die net een roman ‘Le Magicien’ had gepubliceerd. Eliphas Lévi trok zich voor een jaar terug in de abdij van Solesmes waar hij abbé Dom Guérangur leerde kennen. Hier ontdekte hij in de bibliotheek de werken van de Gnostici en de eerste kerkvaders. Hij las al wat met mystiek te maken had.

In 1840 publiceerde hij zijn eerste werk ‘La Bible de la liberté’ onder invloed van de socialistische profeet Ganneau. Dit boek zorgde voor een schandaal waarvoor hij acht maanden gevangenis kreeg. Na zijn vrijlating, in april 1842, zette hij zich verder aan het bestuderen van andere werken. In 1845 vertoefde hij veel in de politieke clubjes van de republikeinen. Eliphas Lévi droeg geregeld zijn bijdrage bij de liberale pers. Een van zijn artikelen ‘La voix de la famine’ zorgde nogmaals voor de nodige controverses gevolgd door een jaar gevangenisstraf. Na zijn vrijlating kwam hij in contact met Hoené Wronski. Deze laatste zou op hem een definitieve stempel drukken. Lévi begon Jacob Boehme, Swedenborg, Louis Claude de Saint-Martin en Fabre d’Olivet te bestuderen. Kort hierna publiceert Eliphas Lévi zijn eerste grote werk ‘Dogme et rituel de haute magie’. Vanaf dan nam hij de pseudoniem van Eliphas Lévi aan.

In 1845 ontmoette hij Sir Edward Bulwer-Lytton, de schrijver van Zanoni, die hem inwijdde in de Rozekruisersorde. In hetzelfde jaar verbleef Lévi te Parijs waar hij de rest van zijn leven zou blijven. Hij was woonachtig op de Avenue du Maine en later in de rue de Sèvres. In deze periode ontving hij talrijke occultisten, alchemisten en bekenden uit de wereld van de broederschappen. Hij leerde er Eugène Vintras, Alexandre Dumas, en Henri Delaage ( een Martinist ) kennen. Hij ontmoette er Georges de Mniszech en zijn vrouw Anna de Hanska die de nicht was van Gravin Keller vrouw van Saint-Yves d’Alveydre. Hij had contacten met Mgr. Devoucoux, bisschop van Eureux, en Nicolas Joseph Spedalieri (1) - een Martinist.

Op 14/3/1861 werd hij ingewijd in de ‘Grand Oriënt’. Hij werd eveneens de spirituele leraar van Kenneth MacKenzie van de ‘Societas Rosicruciana in Anglia’. Eliphas Lévi stierf op 31/5/1875 en werd begraven op het kerkhof van Ivry.

Eliphas Lévi schreef een aantal werken die tot de basis behoren van het westers occultisme : ‘La bible de la Liberté’, ‘La Mère de Dieu’, ‘Dogme et rituel de haute magie’, ‘Histoire de la magie’, ‘Le Sorcier de Meudon’, ‘La science des Esprits’, ‘Le livre des splendeurs’, ‘Le Grand Arcane’, ‘Le livre des sages’, ‘La Clef des Grandes Mystères’.

Enkele uittreksels uit de ‘Leer en Ritueel van de hogere magie’ - deel 1 :

"Dat de harmonie het resultaat is van de evenredigheid der tegendelen."

"De waarheid is als de zon ; blind is hij die haar niet ziet."

"Dat God mens is en de Mens God."

"Men ontwijkt evenmin de toekomst als men het verleden doet herleven, maar men blijft bij wat duurzaam is ; dat nu alleen is duurzaam, wat gebaseerd is op de natuur zelve der dingen."

"Ik ben de samenvatting van de oude wijsheid, zou de Sphinx zeggen, ik ben de synthese van de mens. Ik heb een voorhoofd dat denkt en borsten, die zwellen van liefde ; ik heb leeuweklauwen voor de worsteling, stierenflanken voor het werk en arendsvleugelen om op te stijgen naar het licht. Weten, durven, willen en zwijgen, dat zijn de vier werkwoorden van de magiër, die in de vier symbolische vormen van de sphinx geschreven staan. "

" … overal vindt men de sporen van een leer, die dezelfde is en overal zorgvuldig verborgen. De occulte wijsbegeerte schijnt de voedster of de peet van alle godsdiensten te zijn geweest, de geheime hefboom van alle intellectuele krachten, de sleutel van alle goddelijke verborgenheden en de absolute heersers over de maatschappij, in de eeuwen, dat zij uitsluitend gebruikt werd voor de opvoeding van priesters en vorsten."

"De steen der wijzen, het algemene geneesmiddel, het omzetten van metalen, de kwadratuur van de cirkel en het geheim van de steeds terugkerende beweging zijn geen fopperijen van de wetenschap of dwaze dromen ; het zijn uitdrukkingen, waarvan men de ware betekenis moet begrijpen, en die de verschillende wijzen uitdrukken waarop men een zelfde geheim gebruikt, de verschillende manieren van eenzelfde bewerking en die men meer algemeen uitdrukt met de naam van steen der wijzen."

" … het symbool van de Roos, dat ook de geheimzinnige en magische betekenis van Dante’s gedicht verklaart, is aan de hoge Kabalah ontleend, en het wordt tijd dat ook wij over deze oneindige en verborgen bron der algemene wijsbegeerte gaan spreken."

"Alle werkelijk dogmatische godsdiensten zijn uit de Kabalah voortgekomen en keren er in terug, alles wat wetenschappelijk en verheven is in de godsdienstige dromen van alle verlichten, Jacob Boehme, Swedenborg, Saint-Martin enz. is aan de kabalah ontleend ; alle maçonnieke verenigingen zijn aan haar geheimen en symbolen verschuldigd."

"Het verstand is de mens gegeven, maar niet allen weten het te gebruiken, dat is een wetenschap, die men moet leren. Vrijheid wordt ons aangeboden, maar allen kunnen niet vrij zijn ; dat is een recht, dat men moet veroveren."

"De beweging en het leven bestaan in de uiterste spanning van twee krachten."

"Het tweetal bestaat slechts door het drietal. Indien gij het absolute als twee opvat, moet gij het ogenblikkeleijk als drie opvatten om het eenheidsbeginsel terug te vinden."

"Te leren zichzelf te overwinnen, dat is dus leren te leven en de gestrengheden van het stoïcisme waren geen ijdel vertoon van vrijheid !"

"Om iets tot stand te brengen, moet men weten, wat men wil doen of ten minste vertrouwen hebben in iemand, die het weet."

 

Le Maître Philippe

Anthelme Philippe Nizier geboren op 25 april 1849 te Loisieux ( Savoie ).

Op veertienjarige leeftijd wordt Philippe door zijn oom te Lyon opgevoed. Van kindsbeen af genas ‘Maitre Philippe’ reeds zieken met magnetisme. Toen Philippe geneeskunde wou studeren werd hij geweigerd.

"On apprit qu’il était guérisseur et un interne le fit écarter du service. Il lui fut alors interdit de suivre les cours, parce que, faisant de la médicine occulte, il passait pour charlatan." Schreef Alfred Haehl, een discipel van hem. Ander discipelen waren Marie Knapp, Phaneg, Lucien Chamuel en vooral Jean et Louise Chapas.

Georges Descorniers ( Phaneg ) ( 1866 - 1945 ) was de oprichter van ‘L’Entente Amicale Evangélique’. Borredon, André Savoret en Michel de Saint-Martin waren er lid van. Hij was van Bretonse afkomst en ambtenaar bij de PTT. Hij publiceerde een boek ‘Méthode de clairvoyance psychométrique’. Hij was tevens lid van de door Papus opgerichte ‘Groupe Indépendant d’études ésotériques’.

In 1887 huwde Philippe Nizier met Jeanne-Julie Landar, een van zijn patiënten. Uit dit huwelijk kwamen twee kinderen. Jeanne-Victoire, de dochter, werd later de vrouw van Dr. Emmanuel Lalande ( Marc Haven ). Het tweede kind, een zoon, kwam op vroege leeftijd te sterven.

In 1881 vertrekt Maître Philippe naar Tunis en in 1884 behaalde hij het diploma van dokter in de geneeskunde aan de Universiteit van Cincinnati ( Ohio ) welke hij bij middel van een schriftelijke cursus had gevolgd.

Zijn thesis ‘d’hygiène à appliquer dans la grossesse, l’acouchement et la durée des couches’ leek een schot in de roos.

Van 1886 tot 1904 woonde hij in Lyon waar hij zijn praktijk als dokter beoefende. Hij gebruikte vooral magnetisme als therapie.

Monsieur Philippe ( zo was hij bekend ) werd verschillende keren veroordeelt voor het uitoefenen op onwettige wijze van de geneeskunde.

In 1895 opent hij te Lyon, gestimuleerd door Papus ( Gerard Encausse ), een school voor Magnetisme welke reeds in Parijs bestond. Naast zijn praktijk als dokter was hij tevens apotheker en had hij een laboratorium waar hij zelf zijn geneesmiddelen maakte. Zijn therapieën hadden veel succes en zo werd Monsieur Philippe een plaatselijke beroemdheid. Maître Philippe vertelde heel veel over esoterisme en occultisme. Hij was een verdediger van de reïncarnatie. Hij vertelde veel over geboorte, leven en dood van de mens, zijn verleden, zijn toekomst. Maître Philippe zou vandaag een ‘goeroe’ heten. Dat hij door sommige werd beschouwd als de incarnatie van Cagliostro en sommige spraken zelfs van de incarnatie van Christus is in deze context zeker niet vreemd.

In 1900 brengt Papus - Maître Philippe - in contact met de groothertog Wladimir in Rusland. De tsaar en zijn vrouw brachten Maître Philippe een bezoek op 20 september 1901 (2). Naar aanleiding van deze gelegenheid kreeg Maître Philippe de titel van dokter in de geneeskunde aan de academie van Sint-Petersburg. Maître Philippe had tevens relaties met de koning van Italië en Keizer Willem II van Oostenrijk.

Na geregelde aanvallen van hartklachten stierf Maître Philippe op 2 augustus 1905. Zijn graftombe te Loyasse ( Lyon ) en zijn woonhuis te Abrasle is nog geregeld een plaats voor bedevaarders.

Philippe Nizier behoorde tot geen enkele groepering of Orde maar was wel Martinist. Vele Martinisten hebben Philippe goed gekend en hem steeds bewonderd. Op vraag van Papus heeft Philippe een pentakel en een medaille voor de Orde gemaakt die door alle dignitarissen van de Orde werden gedragen. Het pentakel en de medaille werden later door de zoon van Gerard Encausse ( Papus ), Philippe Encausse, gepubliceerd.

Waar Philippe Nizier onrechtstreeks wel mee te maken had was de oprichting van ‘L’Ordre Eudiaque’, gesticht door Hector Durville in 1892. Alhoewel het hier niet over een esoterische Orde ging, wat de naam doet vermoeden, was het wel een school voor magnetisme en massage. De ondervoorzitter van deze school was Gerard Encausse ( Papus ). Deze school kreeg een onderafdeling in 1895 te Lyon waar Maître Philippe de hoofdfiguur van was. Hector Durville had contacten met haast alle occultisten uit zijn tijd.

De zoon van Hector Durville, Henri Durville werd de grote promotor van het Naturisme in Frankrijk. Het was hij die in Villennes en op L’îles du Levant de eerste naturistencentra stichtte.

Hij was ook de stichter van ‘L’Université du Magnétisme’ met zijn centrum in Auteuil wat als buitenschil moest fungeren voor de eigenlijke Orde. De Orde zou nu niet meer bestaan alhoewel sommige sporen ons moeten doen geloven dat er een heropleving zou zijn.

De opvattingen van Durville zijn ons wel bekend en zijn terug te voeren tot enkele basiselementen die voor die tijd wel vooruitstrevend waren. Een godsbegrip werd wel aanvaard maar dogma’s werden verworpen. De hoofdidee was een Universele Harmonie onder alle levende schepselen. De intuïtie nam tevens een belangrijke plaats in deze Orde. Er werd door de volgelingen gestreefd naar een Harmonieuze samenleving tussen alle schepselen.

Er was een drievoudige leerstelling :

Fysiek : Vegetarisme en toegepaste Yoga uit het Verre oosten.

Geestelijk : Mentale concentratie en meesterschap over het onderbewustzijn.

Emotioneel : Universele liefde en gehele broederschap voor alle levende wezens.

Door het toepassen van deze principes kwam men tot het ‘Eudia’ wat best te omschrijven is als een ‘Rust’ ‘Vrede’ een ‘verheven aards geluk’.

De Orde kende zeven graden waarbij elke overstap van de ene graad naar de andere gepaard ging met inwijdingsceremonieën en een soort theoretisch examen.

De graden van de Orde waren :

Dociste - Stomatiste - Dianoïste - Pneumatiste - Prothyme - Grammate - Logiste.

De eerste vier graden waren de graden van de Kleine Mysteriën, de volgende drie graden waren de Grote mysteriën. Uit de leden die de graad van Logiste behaalde werden 12 leden gekozen die de Suprême Conseil vormde.

Het symbool van de Orde was een ‘crux ansata’ en een gelijkzijdige driehoek om dit kruis. Het symbool bestond in verschillende kleurcombinaties corresponderend met de graad van inwijding.

 

Saint-Yves d’Alveydre

De Markies Alexandre Saint-Yves d’Alveydre ( 26/03/1842 - 05/02/1909 ) was volgeling van de school van Jean-Philippe Dutoit-Membrini ( alias Keleph-ben-Natha ) (1729 - 1793 ) hoofd van de groep "Ames intérieures qu’inspirait Mme Guyon..." en Fabre d’Olivet ( 1762 - 1825 ).

Zijn vader was geneesheer voor geesteszieken. Dankzij Monsieur de Metz ( direkteur van de school ) kon Saint-Yves zijn beste vermogens uiten. Op zijn aanraden studeerde Saint-Yves geneeskunde. Het was Monsieur de Metz die Saint-Yves aanspoorde om de werken te lezen van Joseph de Maistre en Fabre d’Olivet.

Door een toeval kreeg Saint-Yves, op het eiland Jersey, waar uitgewezen politieke gevangenen zaten onder het bewind van Napoleon III, van een bloedverwant van Fabre d’Olivet enkele manuscripten die zeer belangrijk waren.

Van een anonieme biograaf weten we dat deze manuscripten een enorme indruk hebben gemaakt op Saint-Yves.

In het jaar 1877 ontmoette hij gravin Keller ( Marie de Riznitch ). Deze gravin was familie van Honoré de Balzac die lid was van de Martinistenorde. Saint-Yves kon dankzij het huwelijk met gravin Keller zich permitteren om opzoekingen te verrichten in bibliotheken. De laatste jaren van zijn leven bracht hij door in Versailles. Daar schreef hij zijn meest bekende werk ‘L’Archéomètre’. Hij begon te corresponderen met alle esoterici uit zijn tijd. Hij nam zichzelf voor een schrijver maar werd eigenlijk niet sterk geapprecieerd. Jules Bois beweerde dat Saint-Yves op drie dagen 1400 bladzijden bij elkaar schreef. Zijn werken zijn zeer complex en moeilijk te lezen. Tussen 1882 en 1887 publiceerde hij vijf boeken.

In 1885 kreeg Saint-Yves bezoek van enkele Oosterse ingewijden. Een van hen was prins Hardjij Scharipf. Hun missie bestond er in Saint-Yves op de hoogte te brengen van ‘Agarttha’, een spirituele en politieke organisatie. Dit was de aanleiding van zijn laatste boek getiteld "Mission de l’Inde en Europe, mission de l’Europe en Asie. La question des mahatmas et sa solution." Het werk werd opgedragen aan : "Au souverain Pontife qui porte la tiare aux sept couronnes au Brahatmah actuel de l’antique Paradésa du Cycle de l’Agneau et du Bélier." Maar nog voor het boek de drukpersen haalde verscheurde Saint-Yves het ganse werk met de mededeling dat hij de grote wijsheden in dit boek toch niet wou prijs geven. Naar zijn zeggen was dit in opdracht van de Broederschap die vond dat men geen paarlen voor de zwijnen mocht werpen. Nochtans is een exemplaar ontsnapt aan de volledige vernietiging. Dit exemplaar kwam in handen van de graaf Alexander Keller, zoon van gravin Keller. In 1909 werd het werk in een beperkte oplage herdrukt door de uitgever Dorbon-Aîné. Deze herdruk is haast niet te vinden daar het op slechts enkele exemplaren beschikbaar was. Tijdens de bezetting hebben de Duitsers alle teruggevonden exemplaren in beslag genomen.

Gérard Encausse ( Papus ) zag Saint-Yves d’Alveydre als zijn intellectuele leraar. Maître Philippe was zijn spirituele leraar. Een van de grote principes die Saint-Yves d’Alveydre had uitgevonden was de ‘Synarchie’.Het begrip ‘synarchie’ is inderdaad van hem afkomstig maar de ideeën ontstonden reeds in het prille begin van de zeventiende eeuw bij Tommaso Campanella ( 1568 - 1639 ). Deze had in zijn boek ‘Civitas Solis’ ( De Stad van de Zon ) gelijkaardige ideeën neergeschreven. Wetende dat Saint-Yves d’Alveydre historicus was in het esoterisme is het niet onwaarschijnlijk dat hij zijn ideeënleer hier heeft gevonden. De kernidee was een wereldlijke leiding gebaseerd op spirituele-sociale fundamenten.

Synarchie is een leiding met ‘principes’ en staat in tegenstelling tot de anarchie. In het systeem van Synarchie wordt een sociale entiteit geleid door een autoriteit. Deze autoriteit draagt de volle verantwoordelijkheid omtrent godsdienst, leger en school. De Synarchie bestaat uit drie elementen die de basis vormen van deze filosofie : het Onderwijs, het Gerecht en de Economie. De autoriteit vordert zichzelf niet zij behoort aan hen die de meeste kennis ( autoriteit ) hebben. De sociale wereld is bijgevolg hiërarchisch opgebouwd. De maatschappij wordt geleid door drie afdelingen die niet politiek maar wel sociaal gericht zijn.

Het synarchisme bleef voortbestaan tot de tweede wereldoorlog. Tijdens de bezetting werd het synarchistisch denken vervolgd door de Nazi’s welke hierin zeker geen voorbeeld zagen van hun denkbeelden. De synarchie heeft haast alle esoterici van 1850 tot 1945 sterk beïnvloed. Het was de kern van het maatschappelijk denken van de Martinistenorde. We zien zelfs een Synarchistische Martinistenorde ( Ordre Martiniste et Synarchique ) ontstaan in 1921, met Victor Blanchard ( Sar Yésir ) als centrale figuur, die anno 1999 nog steeds bestaat in Groot-Brittannië en Canada. Uit een interview met Sar Ignatius blijkt dat het synarchistische denkmodel vandaag niet meer wordt opgevolgd en dat de hedendaagse Orde het meer beschouwd als een erfenis uit het verleden.

Rudolf Steiner heeft grotendeels deze filosofie als basis gekozen voor zijn eigen ideeën. Papus, Philippe Nizier, Victor Blanchard, Emile Dantinne en talrijke grote figuren in de esoterische wereld waren allen synarchisten. De drie grote onderdelen van het synarchistisch denken omvatte alle geledingen van een maatschappijstruktuur. Cultuur, kunst en wetenschappen vielen onder het Onderwijs ; gerecht, politie, het leger en buitenlandse zaken vielen onder de groep Gerecht ; vakbonden, het patronaat en de arbeiders vielen onder de derde peiler Economie. De hoogste ambitie van de Synarchie was de afschaffing van de klassenstrijd en het uit handen nemen van de verantwoordelijkheid van politici in het voordeel van ‘specialisten’ ter zake.

Het synarchisme had eveneens aanhangers aan het hof van de Tsaren, waar het Martinisme sterk was ingeburgerd. Niet alleen de Tsaren maar ook Alexander Fjodorovitch Kerenski ( 1881 - 1970 ) had zich laten beïnvloeden door het synarchistische wereldbeeld. Deze laatste was sterk beïnvloed door George Lagrèze tijdens de Russische Revolutie. Kerenski was na de februarirevolutie van 1917 de enige socialist die in de voorlopige regering Lvov was opgenomen. Hij bracht het in juli 1917 tot minister-president. Zijn links bewind kwam steeds meer onder druk te staan van de rechtsgezinden binnen de Russische samenleving. Uiteindelijk heeft hij Rusland moeten verlaten en vestigde zich in 1940 te New-York waar hij aktief werd in de organisatie van Russische emigranten.

Tijdens het Interbellum ( 1918 - 1940 ) was Victor Blanchard het boegbeeld van deze ideologie. Het werd zelfs de basisfilosofie van de in 1934 opgerichte F.U.D.O.S.I. waarvan Victor Blanchard een van de drie Imperators werd.

De werken van Saint-Yves d’Alveydre : Mission actuelle des ouvriers ( 1882 ), Mission actuelle des souverains, par l’un d’eux ( 1882 ), Mission des juifs ( 1884 ), La France vraie ( 1887 ), L’archéomètre ( 1903 ) en Mission de l’Inde ( postuum ).

De werken van Saint-Yves d’Alveydre zijn duister en haast ondoorgrondelijk.. Desondanks mag hij beschouwd worden als een groot denker, filosoof en esotericus van de 19° eeuw.

Victor-Emile Michelet schreef over zijn boek ‘L’Archéomètre’ :

"Qu’est-ce que l’archéomètre, soit la ‘mesure de l’Archée’ ( force cosmique universelle ) dont parlent à mots couverts les hermétistes ? C’est un procédé, une ‘clef’ permettant d’appliquer aux sciences et aux arts une pénétration quasi-automatique des arcanes du Verbe. C’est un instrument de mesure des principes premiers !"

Saint-Yves d’Alveydre stierf in Versailles op 05/02/1909 en licht begraven op het kerkhof van Notre-dame.

Antoine Fabre d’Olivet

( 8/12/1768 - 27/03/1825 ) was op zeer jonge leeftijd geïnteresseerd in het esoterisme. Hij las zowat al wat er te vinden was. Hij studeerde Arabisch en Hebreeuws. Onder invloed van Delille de Salles kwam hij in contact met een groep Pythagoreeërs in de Rijn-vallei. Het was de groep geïnitieerden rond de figuur Jean-Philippe Dutoit-Membrini ( 1729 - 1793 ). Het was dezelfde groep waar Saint-Yves d’Alveydre contacten mee had.

In 1801 werd hij, om redenen die we niet kennen, tijdelijk ontslagen in zijn funkties als ambtenaar maar werd vrij snel in ere hersteld.

In 1805 schrijft hij zowel de muziek als de tekst van een oratorium. In datzelfde jaar huwt hij Marie Varin waar hij drie kinderen heeft. Zijn vrouw was bekend als medium voor experimenten met magnetisme en hypnose. Fabre d’Olivet genas blinden en slechthorende met hypnose. Vermoedelijk in het jaar 1823 ontmoet hij Madame Faure die veel bewondering lijkt te hebben gehad voor zijn werk en ideeën. Zij zou hem helpen met het bouwen van een Tempel. Dit geluk was echter van zeer korte duur want nog voor alles klaar was sterft Fabre d’Olivet voor zijn eigen altaar. Sommigen beweerden dat hij zelfmoord pleegde anderen dat hij een beroerte kreeg of aan een occulte dood was gestorven.

Fabre d’Olivet schreef talrijke werken vooral over muziek en de symboliek van de Hebreeuwse letters. Hij publiceerde een eigen vertaling van Genesis op basis van zijn eigen filosofie. Hij bleek hiermee zijn tijd ver vooruit te zijn. Hedendaagse vertalers bevestigen de juistheid waarmee d’Olivet zijn vertaling maakte. Hij maakte tevens een studie over het ontstaan van de taal. Dat Fabre d’Olivet een ingewijde was blijkt duidelijk uit een aantal van zijn uitspraken.

"Pour arriver à ce degré sublime, il fallait que l’intelligence, pénétrée par le rayon divin de l’inspiration, remplît l’entendement d’une lumière assez vive pour dissiper toutes les illusions des sens, exalter l’âme et la dégager entièrement de la matière..."

"Toutes les initiations, toutes les doctrines mythologiques ne tendaient qu’à alléger l’âme du poids de la matière, à l’épurer, à l’éclairer par l’irradiation de l’intelligence, afin que, désireude des biens sprituels, et s’élançant hors du cycle des générations, elle pût s’élever jusqu’à la source de son existence."

De leerstellingen van Fabre d’Olivet zijn gebaseerd op de Egyptische Mysteriën en het Pythagorisme. Alles is onderworpen aan drie grote krachten : het noodlot, de voorzienigheid en de mens die hierin centraal staat.

De mens is de bemiddelaar tussen het noodlot en de voorzienigheid. Het Kwaad is hier tegengesteld aan. De kracht en de waardigheid van de mens uit zich in de wil om de wetten van de natuur te volgen.

Zo is de moord op Abel de voorstelling van het uitschakelen van de voorzienigheid terwijl Seth het noodlot de strijd tegen Caïn de voorstelling wordt van de vrije wil van de mens. De twee krachten de wil en het noodlot zijn de drijvende motor van de evolutie.

Een van de belangrijkste elementen uit het Pythagorisme is de Arithmosophie, de kennis van de getallen. Alles berust op een Universele Harmonie dat in getallen is uit te drukken. Er bestaan verbanden tussen al wat is. Er heerst een perfekte harmonie tussen hemel en aarde, tussen het deelbare en het ondeelbare.

Uit deze filosofie creëert Fabre d’Olivet een Theurgie net zoals de pre-socratici dit deden. Zelf zegt hij : " D’après les astres, on peut conjecturer la destinée, puisque l’avenir est un retour du passé, et que la nature est la même partout."

Voor Fabre d’Olivet is de stem van de Kosmos te horen in het dierlijk magnetisme en vertrekkende van deze mysterieuze krachten geneest hij zieken. Met deze theorieën groepeert hij veel discipelen rondom zich. In deze perspectief is hij als het ware niet uniek en niet de enige. De toepassing van het magnetisme vonden we al eerder beschreven. De ontdekking door de Oostenrijker Franz Anton Mesmer ( 23/5/1734 - 5/3/1815 ) van dit dierlijk magnetisme dat ook ‘Mesmerisme’ werd genoemd is gemeengoed voor al wat esoterisch was. De studie van dit magnetisme en zijn verdere ontwikkelingen tot Sigmund Freud ( 6/5/1856 - 23/9/1939 ) heeft moeten wachten tot een Brits oogarts James Braid dit verschijnsel Hypnose ging noemen. Hypnose was afgeleid van de Griekse god voor slaap - Hypnos. Dat suggestie hier een belangrijke rol speelt is onweerlegbaar. De Mysteriën en Riten maken in zekere zin gebruik van deze technieken.

Net zoals Saint-Yves d’Alveydre verdedigde Fabre d’Olivet de Synarchie als levensmodel. Hij schreef hieromtrent een boek getiteld ‘Théodoxie universelle’.

Fabre d’Olivet was een fervent onderzoeker van de Griekse en Egyptische mythologie. Het polytheïsme zag hij als een uiting van een verborgen monotheïsme en een groteske metafysika. Vanuit deze gedachte creëerde Fabre d’Olivet niet alleen een ethiek en een filosofie maar eveneens een universele religie.

Hij creëerde zijn eigen riten in zijn eigen laboratorium. Fabre d’Olivet wou de Vrijmetselarij een meer traditionele basis geven dan de tot dan toe heersende opvatting omtrent de symboliek van de kathedralenbouwers. Hij schreef hieromtrent een werk getiteld ‘La Vraie Maçonnerie et la Céleste Culture’. d’Olivet deinsde er niet voor terug om riten uit de landbouw te integreren in zijn filosofie. Zo besteedde hij veel aandacht aan de riten van het graan. Zo belandde hij bij de Egyptische Mysteriën.

Zijn vooropgestelde Logesysteem kende, net zoals de Vrijmetselarij, drie graden : Aspirant, Laboureur ( landbouwer ) en Cultivateur ( kweker ). De officianten van zijn rituele Tempel noemde hij : Sarcleur ( wieder ), Venerable Cultivateur, Semeur ( zaaier ), Eau, Terre, Feu et Air. Het heilige Woord dat de drie graden omvatte was Hermes. Het teken voor de rituele aanhef was de wijsvinger van de rechterhand op de lippen als teken van de stilte uitgedrukt door de mysteriën.

 

Stanislas de Guaita

De Guaita werd geboren op 6/04/1861 en stierf op vrij jonge leeftijd op 19/12/1897.

Hij was van Lombardische afkomst. Op zeer jonge leeftijd was hij al bevriend met Maurice Barrès, een leeftijdgenoot, die eveneens in poëzie en literatuur was geïnteresseerd.

Zijn eerste gedichten staan nog sterk onder invloed van Baudelaire.

De Guaita was eveneens sterk bevriend met Oswald Wirth die zijn sekretaris was. Alle drie waren ze geïnteresseerd in Occultisme, Astrologie, de Tarot, het Hermetisme, enz..

Het is dan niet verwonderlijk dat we deze drie persoonlijkheden later terug vinden in ‘L’Ordre Kabbalistique de la Rose+Croix’ en de ‘Suprême Conseil de L’Ordre Martiniste’.

De Guaita was steeds op zoek naar uitzonderlijke boeken en manuscripten over occultisme en esoterisme. Hij had een uitgebreide bibliotheek waar haast alle werken van zijn tijd te vinden waren.

In 1881 publiceerde hij ‘Oiseaux de Passage’ gevolg door ‘La Muse Noire' (1883) en 'La Rose Mystique’ (1885). Het was zijn vriend en schrijver Catulle Mendès die hem de weg wees naar de werken van Eliphas Lévi.

Hij schreef tijdens de jaren 1890 tot 1896 een vierluik met de algemene titel ‘Essais de sciences maudites’ bestaande uit de vier delen : ‘Au seuil du Mystère’ (1886), ’Le Temple de Satan’ (1891), ‘La Clef de la magie noire’ (1897), en ’Le Problème du mal’.

Niet alleen in de literatuur kennen we de beïnvloeding van het mysticisme en het occultisme. Ook in de muziek en de schilderkunst vinden we alle sporen terug van deze periode. De Franse schilders die zich ‘Les Nabis’ ( 1888 - 1900 ) noemden is daar een voorbeeld van. Paul-Elie Ranson ( 1861 - 1909 ) schilderde ‘Alpha et Oméga’. Het schilderij bevindt zich te Marseille en laat duidelijk de symboliek in hexagrammen, driehoeken en pentagrammen zien. Er bestaat van hemzelf een zelfportret in rituele kledij van 1890.


(1) Zie 'Ordine Martinista Napolitano' in het hoofdstuk '1891 Suprême Conseil de L'Ordre Martiniste'

(2) Tijdens dit bezoek was ook Peter Ivanovich Ratchkovski aanwezig, hoofd van de Russische Veiligheidsdienst te Parijs. Ratchkocski was Maître Philippe niet bepaald gunstig gezind. ( Zieook hoofdstuk ‘De Protocollen van Zion )

 

 

 

1