1923 ORDO AUREAE & ROSAE CRUCIS ( ANTIQUE ARCANAE ORDINIS ROSAE RUBEAE ET AUREAE CRUCIS )


"Zonder mythe echter verliest iedere cultuur haar totale scheppende natuurkracht : slechts een met mythen omzoomde horizon omsluit een hele cultuurbeweging als een eenheid."
( Friedrich Nietzsche )

 

Uit de geschriften nagelaten door Emile Dantinne weten we dat hij een van de opvolgers was van Joséphin Péladan. Na de dood van Péladan in 1918 begon Emile Dantinne, onder de pseudoniem Sar Hieronymus, de leerlingen van Péladan te groeperen. In 1923 reorganiseert Emile Dantinne te Leuven ( België ) de ganse Rozekruisersorde in drie Ordes. ‘L’Ordre de la Rose+Croix Universitaire’ verdeeld in negen graden. ‘L’Ordre de la Rose-Croix Universelle’ onder de leiding van Imperator François Soetewey ( Sar Succus ) eveneens verdeeld in negen graden. Beide Ordes hadden hetzelfde doel maar waren anders afgesteld op het soort leden.‘L’Ordre de la Rose+Croix Universitaire’ was enkel toegankelijk voor studenten of afgestudeerden van een universiteit. Het is van Emile Dantinne geweten dat hij veelal in de universiteiten les volgde en dit zelfs tot op zeer hoge leeftijd.

Tot slot ontstond ‘L’Ordre de la Rose+Croix Intérieure’ onder leiding van Imperator Jules Rochat de Abbaye ( Sar Apollonius) verdeeld in vier graden. De Orde telde bijgevolg dertien graden. De laatste graad was de Imperator-graad.

‘L’Ordre Universitaire de la Rose+Croix’ was verdeeld in volgende graden :

Zelator : In deze graad werd er vooral beoogt om de verschillende godsdiensten en filosofische stelsels te bestuderen.

Theoreticus : Hier werd een aanvang gemaakt met de studie over occulte krachten.

Practicus : De studie van het leven van grote mystici. Fysiologische alchemie en de werken van Kunrath.

Philosophus : Het bestuderen van de hemelse hiërarchie.

Adeptus Minor : De studie van zowel theoretische als praktische Theurgie.

Adeptus Major : Gewijd aan de studie van de Christelijke mysteriën.

Adeptus Exemptus : De praktische training in de mystiek.

Magister Templi : De praktische training in de mystiek.

Magus : Hier werd occulte leer van het Rozenkruis aangeleerd.

Ecuyer :

Chévalier :

Commandeur :

Imperator :

De graden Ecuyer, Chévalier en Commandeur werden overgenomen uit de Orde van Péladan. Er volgde nog een dertiende graad die van Imperator.

De rituelen die hieraan verbonden waren zijn nog niet gevonden. Of er rituelen verbonden waren aan deze inwijdingsgraden blijft een open vraag.

Deze afdeling van de Orde werd geleid door Jean Mallinger en Georges van Steenbeek beide studenten aan de Leuvense Universiteit en Jean Pastel een student van de Universiteit uit Brussel.

Op 31 december 1925 opende Sar Hieronymus een R+C centrum in Brussel onder de leiding van François Soetewey. Jean Mallinger was er secretaris.

Op 12 februari 1926 werden de dignitarissen aangesteld voor de leiding van ‘L’Ordre Universitaire de la Rose+Croix’. Sar Succus ( François Soetewey ) werd adjunkt-Imperator. Sar Essenius werd secretaris, Sar Ignifer werd de Archon van de Wetenschappen en de Kunsten en Sar a Mare werd Aalmoezenier. Op een latere datum werd Sar Essenius vervangen door Jean Mallinger.

Emile Dantinne initieerde Harvey Spencer Lewis en zijn zoon Ralph Maxwell Lewis in de dertiende graad.

Emile Dantinne ( Sar Hieronymus ) zocht contact met Harvey Spencer Lewis en Victor Blanchard van de Martinisten Orde (1). Deze drie stichtte in 1934 te Brussel de F.U.D.O.S.I.

Federatio Universalis Dirigens Ordines Societatesque Initiationis.

 

Tot de in Augustus 1934 opgerichte FUDOSI behoorden volgende Ordes :

Ordre de la Rose+Croix Universelle

Ordre de la Rose+Croix Universitaire

Ordre Kabbalistique de la Rose+Croix

Confrérie des Frères Illuminés de la Rose+Croix

A.M.O.R.C. voor de U.S.A.

Militia Crucifera Evangelica

Ordre Ancien et Mystique de la Rose+Croix ( Zwitserland )

Société Alchimique de France

Ordre des Samaritains Inconnus

Ordre Hermetiste et Mystique ( ou Ordre Pythagoricienricien )

Ordre Martiniste et Synarchique

Fraternité des Polaires ( Polen )

Ordre Maçonnique Oriëntal de Memphis-Misraïm ( stricte observance )

Gemengde Orde van Memphis-Misraïm

Emile Dantinne stichtte in 1927 ‘L’Ordre Hermetiste Tétramegiste et Mystique’ ( die een heropleving was van de Orde van Pythagoras ) onder leiding van hemzelf, Francois Soetewey ( Sar Succus ) en Jean Mallinger ( Sar Elgim ) ( 1904 - 1982 ) hoofd van de Belgische afdeling van de ‘Rite Memphis-Misraïm’.

In 1957 wordt Emile Dantinne opgevolgd door  Frater Albinus   ( 26/4/1920 - ) Grootmeester van de Duitse Grootloge AMORC van 1949 - 1954 en Imperator van de ‘Ordo Rosae Aureae’. (2)

Uit een brief van de oudste dochter van Emile Dantinne weten we dat Emile Dantinne veel contacten had met Martin Erler. Volgende passage uit deze brief laat dit duidelijk blijken

"C’est l’avocat Mallinger qui est venu faire le tri des livres de mon père pour m’aider à en vendre, il a pris ce qui se rapportait à la F.U.D.O.S.I..

Mon père était encore en rapport lontain avec un certain Erler en allemagne qui lui écrivait en anglais et à Lausanne avec le doctuer Bertholet qui est décédé."

Gustave Meyrink was de zoon van Friedrich Karll Gottlieb Freiherr Varnbüler een minister uit Wurttemberg. Zijn moeder Maria Wilhelmine Adelaïde Meyer van joodse afkomst was een actrice uit Hamburg aan het hoftheater van Ludwig II van Beieren.

Gustave huwde op zeer jonge leeftijd. Zijn eerste huwelijk werd een catastrofe. Zijn tweede huwelijk met Philomena Bernt in 1905 werd een echte idylle.

Het grootste deel van zijn leven bracht hij door in Praag. Hij stichtte er de eerste christelijke bank ‘Meyer&Morgenstern’.

Op 18/1/1902 werd hij gearresteerd op aanklacht van bedrog. Zijn bank werd gesloten. Enkele maanden later werd hij vrij gesproken. Zijn bank was echter tot verdwijnen gedoemd.

In 1904 verhuist Meyrink naar een voorstad van Praag en later naar Wenen. In deze periode was hij een van de leiders van de Loge de ‘Blauwe Ster’. Hij leerde er Annie Besant kennen en een leerling van Ramakrishna.

In 1907 verhuisde Meyrink naar München en vanaf 1911 vestigde hij zich te Starnberg.

Vanaf 1917 trok Meyrink zich terug en mediteerde veel. Hij vertoefde veelal in de omgeving van de Stanberger See.

In 1928 was hij verplicht uit geldnood zijn villa te verkopen. Hij huurde een huis bij een tante van frater Albinus.

Vooral in deze laatste jaren was hij op esoterisch vlak zeer bedrijvig. Hij schreef nog weinig maar las zeer veel. Hij las vooral boeken over alchemie en esoterie.

Meyrink overleed op 4/12/1932 te Starnberg in Beieren.

Gustav Meyrink was de laatste Grootmeester van de ‘Asiatic Brethren’ die zich in Praag hadden gevestigd. Zijn weduwe en een aantal vrienden groepeerden zich na de Tweede Wereldoorlog. Frater Victorius werd de nieuwe Grootmeester. Frater Albinus sloot zich bij deze groep aan op het moment dat hij tevens lid werd van AMORC. Na een twist met Ralph Maxwell Lewis gaf frater Victorius zijn ontslag en frater Albinus werd zijn opvolger. Frater Albinus kende in 1953/55 dezelfde problemen en trok zich uit Amorc terug waarvan hij ondertussen Grootmeester was. Frater Albinus leidt de Orde van Meyrink momenteel verder. In 1957 werd frater Albinus ingewijd door Sar Hieronymus. Frater Albinus heeft weerom op zijn beurt een frater in België ingewijd. Van Frater Albinus weten we dat Gustave Meyrinck lid werd van de ‘Societas Rosicruciana in Anglia’ in 1893. Dat Meyrink ingewijd was in de ‘Asiatic Brethren’ kan evenwel niet worden bewezen. De enige mondelinge toezegging hebben we van frater Albinus die het weet van de weduwe van Meyrink.

 

De boeken die Meyrink schreef :

Des deutschen spiessers Wunderhorn Gesamwelte Novellen ( 1913 )

Der Golem ( 1915 )

Fledermäuse, Erzählungen, Fragmente, Aufsätze ( 1916 )

Das Grüne Gesicht ( 1916 )

Walpurgisnacht ( 1917 )

Die weisse Dominikaner ( 1921 )

Der Engel vom westlichen Fenster ( 1927 )

Das Haus zur letzten Latern

Gustav Meyrink was de laatste Grootmeester van de zeer oude Duitse ‘Ordo Rosae Aureae’ en de ‘Asiatic Brethern’ die een tak was van de oude AAORRAC uit Oostenrijk.

Deze naoorlogse tijd zorgde wel voor het nodige wantrouwen ten aanzien van deze Duitse Rozekruisers. Daarom stelde frater Albinus zelf aan Emile Dantinne voor om een Belg of Fransman als hoofd te kiezen voor deze Ordes. Dit gebeurde dan ook bij hoofde van Sar Thalassaphilos ( Dr. Christian Anthonis ) professor Biologie aan de Université Libre de Bruxelles. Sar Thalassaphilos werd dan ook erkend als de definitieve opvolger van alle Ordes onder de leiding van Emile Dantinne. Dit was echter van korte duur omdat deze Sar Thalassaphilos kort overleed na Emile Dantinne. Door de omstandigheden werd frater Albinus verplicht al de taken over te nemen. Korte tijd later werd de hele beweging overgenomen door een andere Belg Sar Philophotos. De Orde maakt zich op geen enkel vlak kenbaar werkt in het grootste geheim en is kieskeurig met haar leden. We mogen met grote zekerheid veronderstellen dat deze Orde die talrijke tradities in zich bevat veel te bieden heeft. Het is niet alleen de opvolger van de oude Duitse Rozekruisersorde maar tevens de opvolger van de hele beweging rond Emile Dantinne en Jean Mallinger.

In 1949 werd deze eerbiedwaardige Orde door Ralph Maxwell Lewis gecharterd om de Duitse Grootloge van AMORC te worden.

In 1955 verliet de ganse Duitse Orde Amorc om zich terug te vervoegen bij Emile Dantinne.

De Orde ‘L’Ordre Hermetiste Tétramegiste et Mystique’ werd in zijn geheel hervormd in twee Ordes : ‘Ordo Hermetis Tétramegisti’ ( de eigenlijke opvolgers van Jean Mallinger ) en de ‘Ordo Hermetis Trismégisti’ ( de opvolgers van Christian Anthonis gebaseerd op de leerstellingen van Cattiaux ). Deze hervorming had plaats in 1953 na het ontbinden van de F.U.D.O.S.I.. Noch Sar Elgim ( Jean Mallinger ) noch Sar Hieronymus ( Emile Dantinne ) gaven hun goedkeuring hiertoe. Beide Ordes bestaan nog en werken in alle stilte verder. ( De FUDOSI werd officieel ontbonden in augustus 1951 )

 

SAR HIERONYMUS

Emile Dantinne ( Sar Hieronymus ) werd geboren te Huy op 19/4/1884 en stierf te Huy op 21/05/1969. Hij bleek een excellent student te zijn en was eigenlijk voorbestemd om verder te studeren. Zijn vader had financiële problemen en Emile was genoodzaakt de materiële middellen te beheren van zijn familie. (3)

In 1901 is hij te werk gesteld als klerk bij de toenmalige telefoonmaatschappij ( RTT ). In deze periode begint hij zijn eerste poëzie te schrijven. In 1900 publiceerde hij zijn eerste verzen. In 1903 was hij medewerker aan de ‘Revue Mosane’ van de ‘Université de Liège’. Zijn eerste publikatie volgde een jaar later onder de titel ‘Rythmes de douceurs’.

Tussen 1905 en 1907 publiceert hij talrijke studies in ‘L’Art Direct’ en in ‘La Verveine’. Kort hierna verschijnen van hem ‘Ballades de la Décadence’ en ‘La Louange des jardins et des soirs’. In 1906 ontvangt hij een prijs voor zijn poëzie.

Emile Dantine - zijn officiële naam is met één ‘n’- was een talenkenner. Hij studeerde autodidact Italiaans, Spaans, Portugees, Grieks en Latijn. Later studeerde hij Russisch.

Op 21/11/1907 huwt hij Lucie Rouffart een boerendochter uit de buurt. Hun eerste dochter Marie-Louise ( onder vrienden Melle ) werd geboren op 8/4/1909. Hun tweede dochter werd geboren op 26/1/1911.

Vanaf 1909 gaat Emile Dantinne Hebreeuws en Arabisch studeren bij V. Chauvin aan de Luikse Universiteit. In dat zelfde jaar publiceert hij ‘Dickje chez les Hommes’ en ‘Le Roman de l’épouse’.

In 1913 leert hij te Parijs C.Virollaud kennen, directeur van ‘Babylionaca’. Hij bestudeert er Sumerische tabletten en wordt op deze wijze een kenner van het Assyrisch.

In 1915 wordt Emile Dantinne bibliothekaris in de gemeente Huy. Daar bleef hij tot na de bevrijding werken en had hiermee de kans om zich in de literatuur te verdiepen van zijn stad en omgeving.

In 1923 behaalde hij het diploma van bibliothekaris. In 1927 krijgt hij een eremedaille. In 1931 krijgt hij tevens een medaille voor 100 jaar onafhankelijkheid van België. In 1962 ontvangt hij de Gouden Palm van de vrije Academie voor Educatie en in 1965 werd hij opgenomen in de Leopoldsorde.

Sinds 1929 werkte hij samen met het tijdschrift ‘Mosanne’. In 1936 publiceert hij ‘Les Cartes de la Vallee du Houyoux’ en een eerste Franse vertaling van de Tibetaanse verhalen ‘Les Contes de No-rub-can’.

In 1948 publiceert hij ‘L’Oeuvre et la Pensée de Péladan’ met de subtitel ‘La Philosophie rosicrucienne’.

Hij schrijft talrijke artikelen in het Zwitsers tijdschrift ‘Inconnus’ uitgegeven door Pierre Gerillard.

Pierre Gerillard was de neef van Edouard Bertholet ( Sar Alkmaion ) leider van de ‘Rose-Croix d’Oriënt’ en ‘L’Ordre Martiniste et Synarchique’. Pierre Gerillard was op een zeker ogenblik voorgesteld als opvolger van Bertholet. Gerillard bleef wel aktief in de Orde maar werd niet de opvolger van Bertholet. Gerillard was op dat ogenblik eveneens Grootraadslid in de Zwitserse Grootloge van Amorc.

Hij schreef het voorwoord voor een vierdelig werk van Edouard Bertholet ‘La Pensée et les secrets du Sar Péladan.’

Samen met Bertholet publiceerde hij in 1952 ‘Les lettres inedites de Stanislas de Guaita au Sar Joséphin Péladan’.

Sar Hieronymus was de oprichter van het C.R.S.O. ( Commision de recherches scientifiques sur l’occultisme ) te Huy. Hij stichtte eveneens '‘'Institut scientifiques sur l’occultisme’ en de ‘Société métaphysique’ te Brussel.

Emile Dantinne was een zeer bekende fuguur te Huy dit bleek nog uit een telefonisch contact op 20/3/1999 met de zusters van Jean Mallinger, Germaine en Paula. ‘Jonge dames’ van respectieveliujk 92 en 86 jaar. Hoewel ik om inlichtingen vroeg naar hun broer Jean Mallinger wisten ze zich meer te herinneren over Emile Dantinne. Vooral Germaine Mallinger kende de ‘bibliothecaris’ nog zeer goed ondanks haar slecht geheugen. Als jong meisje had ze een enorme bewondering voor deze geleerde man die zo veel talen kende.

Werken van Emile Dantinne

‘Des origines du vers français’,’Notes sur la grammaire et la langue chinoises’,’L’Avenir de la Poésie’, ‘Verhaeren et son oeuvre’, ‘Du send idéal de la Poésie’,’La notion d’identité du moi’,’Cervantes et Shakespeare’,’Paysages littéraires’,’Etude sur René Ghil’,’La vie et l’oeuvre de V. Chauvin’,’V. Chauvin et la critique de l’A.T.’,’Les dix joyaux de Liège’,’Etudes et recherches sur l’histoire de Huy’,’Les Idées et les livres d’aujourd’hui’,’Tablettes sumériennes de la 2° dynastie d’Ur’,’La Révolution de 1830 à Huy’,’Les contes de la Vallée de Hoyoux’,’Le bon Métier des Seigneurs Febvres’,’Les anciennes fêtes hutoises’,’Les Compagnies hutoises des Archers, des Arbalétriers et des Arquebusiers’,’Le bon métier des Scoxhiers, vieux-warriers’,’La Légende de Na-ro-pa’,’L’Hermétisme musulman’,’Révélation d’Avicenno’,’La merveilleuse destinée de Paul Dermée’,’Les Fauborgs hagards’,’Saint Mengold, sa vie, son église’,’Huy-touristique’,’La petite chronique de Mani et de Manè’,’Les Fées de Wallonie’,’Cartes de la vallée de Houyoux’,’Dans la splendeur des songe et de la nuit’,’Les mystèrieux habitants de nos cavernes - Les Nutons de Wallonie et leur origine’,’Des cosmogonies de l’antiquite a la creation du songe’.

Getuigenissen omtrent Emile Dantinne

"Our good master, Sar Hieronymous, also sent me a whole treasure of comforting thoughts, of sublime teachings and ... his blessing, of which we have all felt the effects. I ask you, my beloved brother, to thank him on my behalf, for you would be able to express better than I could, all my affection and my infinite gratitude for the prayers he says for us to the Divine Master. He is so close to Him, and his soul is so beautiful that he must obtain much for those for whom he beseeches Him." - Lydie Martin, een Martinist die aktief was in de FUDOSI ( bron brief van 3/5/1936 )

"As a good egotist, I will begin with myself, as I hasten to announce the profound impression I felt immediately the first time I encountered our Grand Master. His bright look, which probes the depths of your heart, and that expression of infinite goodness, penetrate you, and you immediately feel you are in the presence of one of the disciples that God likes to send you to instruct and guide you in the accomplishment of His will for the advancement of His Kingdom." - Jules Rochat de l’Abbaye ( Sar Appolonius )

"I was facinated by one of the people. He was standing right in the middle behind the table at the end of which forms the closed part of the horse shoe (of the table). He was directly opposite me. I did not wish to appear impolite; however, as if attracted by a magnetic force, I was conscious of the fact that I had once more turned towards him and caught his eye. He would have attracted attention anywhere. He was tall, of handsome stature, neat, dressed in classic fashion. He wore a white, neatly-trimmed beard, which gave him a look of discreet distinction (...) From where I was, I could not tell the colour of his eyes. To me, they looked like sparkling precious stones, like points of light, to describe them perhaps more accurately.

He then smiled and held out his hand to me as a sign of welcome. When he smiled, his whole face lit up with a radiant brightness. Then I became conscious of what it is that master artists tried to capture on their canvasses in their effort to make their subjects - saints, mystics and great philosophers of the past - appear to radiate the esoteric light they had within them."

Ralph Lewis Imperator van AMORC uit 1936.

"In daily life, Sar Hieronymous was also a perfect hypnotist and an astonishing diviner. Thus, he harmoniously combined knowledge with its practical applications.

He also had a special gift, which his friend Leon Lelarge, and I have witnessed for ourselves more than once: he was able to stop rain completely and send the clouds to another area. That would seem improbable to some people. However, I can only say, in good faith, that I have seen it!" - Jean Mallinger ( Sar Elgim ).

 

Document 1

Onderstaand document van de hand van Emile Dantinne geeft ons een idee van zijn bedoelingen met de orde tijdens de jaren van de bezetting. De verwijzingen naar de jaren 1934 en 1939 hebben te maken met de bijeenkomsten van de F.U.D.O.S.I..

"Pour marquer d’un signe certain ceux qu’Il destine à l’accomplissement de ses desseins, Dieu a suscité dans notre Ordre la clairvoyance dont jouissent les Anges, et c’est parce qu’il nous a été providentiellement donné de déchiffrer les mystères du Plan divin, que nous avons la concordance de ces révélations avec celles accordées à des voyants des temps lointains.

Dans notre message de 1939, nous annoncions que l’ordre de la R+C serait la fidèle gardien du spiritualisme chrétien menacé par le déchaînement des forces matérielles.

Les temps sont venus d’annoncer que notre Ordre sera plus que le gardien de la Tradition, il doit être un ferment actif d’orientation des hommes vers l’Idéal, il se sépare à donner sa collaboration puissante aux grandes forces qui se consacrent à la restauration sprituelle du monde.

Déjà au Congrès de 1934, nous avions conjuré les délégués de tous les Temples associées de comprendre que le rapprochement de l’Eglise de Rome était une nécessité. Tous les Frères ne l’avaient pas compris, parce qu’il restait dans l’atmosphère des vestiges de l’esprit maçonnique qui n’est que l’esprit des Ténèbres.

Depuis lors, la Maçonnerie a perdu son honneur et son prestige.

Tandis qu’une illumination toujours plus claire nous a été donnée. Dieu lui-même, nous a accordé cette Lumière qui est l’essence même de la Vérité.

La Maçonnerie sera détruite, parce qu’elle poursuivait, alliée aux puissances de l’Enfer la destruction de l’ordre chrétien, de l’ordre spritualiste.

La R+C s’élèvera dans la clarté et dans la Force car elle apporte à la rénovation de la vie sprituelle les trésors de la Science et la pureté de ses volontés mystiques.

A dater de ce moment, l’Ordre Universel de la R+C reprend sa qualité de la Chevalerie Chrétienne et relève ses armes pour défendre l’Eglise du Christ, la Tradition dont elle a la garde, l’Enseignement dont elle a la mission.

Cette définition ne fait que préciser la situation de l’Ordre. Le stade annoncé il y a plus de 20 ans se réalise au moment où Dieu le veut. Ce n’est pas une conversion, c’est le point de rencontre de plusieurs voies qui vont devenir parallèles, c’est le début de l’action de l’Ordre sur le plan visible qui, bientôt coïncidera acev le plan astral où se projettent les desseins de dieu.

Les conséquences de l’orientation spirituelle que la Volonté d’En-Haut a imposée à l’Ordre sont incalculables et elles sont de catégories diverses.

Dans l’ordre sensible, la communion et la collaboration avec ceux qui oevrent à l’instauration du Royaume de Dieu, à sa défense et à son extension jusqu’aux confins de la terre.

Dans l’ordre invisible, le recours à la précision dogmatique afin de contrôler les Traditions occultes, recueillir toutes celles qui viendraient éclairer et compléter les enseignements hermétiques et réellement initiatiques de la R+C.

Dans le plan individuel, la promesse d’assurer d’une manière complète et certaine le perfectionnement spirituel des adeptes R+C.

Dans le plan mystique, la garantie du concours permanent de toutes les forces blanches, des légions d’anges et des saints.

Pour réussir dans cette immense tâche, nous faisons appel à tous les hommes de bonne volonté, nous leur offrons tous les joyaux de l’Initiation et la Voie du Salut.

Nous accueillerons tous ceux dont les intentions sont pures.

Ceux qui suscités par l’Esprit pour venir vers nous, auraient jadis appartenu aux Ordres condamnés, devront cependant préablement renaître par le baptême conditionnel.

La moisson est immense, il faut rebâtir le monde, nous faisons appel aux ouvriers car le blé mûrit et il faut que bientôt les moissonneurs se mettent à l’oeuvre."

 

Sar Hieronymus Imperator. (4)


(1) In de ‘Ordre Martiniste et Synarchique’ van Victor Blanchard.

(2) Brief van Martin Erler van 29 september 1998.

(3) Zie brief van Marie-Louise Dantinne van 20 maart 1983.

(4) ‘Une police politique de Vichy : le service des sociétés secrètes’ Lucien Sabah - Klincksieck - 1996 blz.456 - 457

 

 

1