Maçonnieke encyclopedie

De Maconnieke Encyclopedie zoekt


Een ogenblik !

Het geheim van het lidmaatschap.
Voor-en tegenstanders van het geheime lidmaatschap.
Argumenten voor en tegen het geheim.
Propaganda Due.
De Italiaanse democratie onder zware druk.
Gelli dynamiseert de P2.
Denktank of subversieve organisatie?
Gevaren moeten erkend worden.


Het geheim van het lidmaatschap.
Zou hij "logeman" zijn? Hoe vaak is deze vraag al niet gesteld. Het behoort nu eenmaal tot de natuurlijke nieuwsgierigheid, te willen achter halen wat sommigen geheim willen houden.
Iedere vrijmetselaar heeft de vrijheid zijn eigen lidmaatschap kenbaar te maken, maar nog voor zijn initiatie heeft hij plechtig beloofd dat hij nooit de namen van zijn medebroeders zal verraden. Dit heeft niet belet dat de meeste namen van vrijmetselaars mettertijd bekend zijn geraakt, uitgebreide biografische woordenboeken zijn gepubliceerd of minstens ledenlijsten en dat heel wat studies werden ondernomen over deze leden.
Als het de bedoeling van de vrijmetselarij geweest zou zijn, het lidmaatschap geheim te houden, dan heeft ze dit wel erg slecht aan boord gelegd.
Een eerste element dat op paradoxale wijze vanaf het ontstaan van de vrijmetselarij aanleiding heeft gegeven tot de bekendheid van de leden, is ....de geheimhouding. Het geheim eiste immers dat men binnen de vrijmetelarij zelf zou kunnen controleren wie echt lid was. Iedere werkplaats hield daarom zorgvuldig de lijst van de leden bij, waarop melding werd gemaakt van hun geboorteplaats en -datum, hun beroep, hun woonplaats, hun maçonnieke graad en functie. Tussen de loges bestond efl drukke uitwisseling van logelijsten. Wanneer een vreemdeling bij een werkplaats kwam aankloppen, dan kon hij meestal wel een "diploma' voorleggen dat zijn inwijding aantoonde. Maar hoe konden ze zekerheid hebben, dat hij geen namaakdocumenten bij zich had en hij geen "vals" broeder was? Hoe controleren of hij wel tot een bevriende loge behoorde met wie men in goede verstandhouding leefde en niet tot een of andre concurrerende of zelfs vijandige obedientie? Alleen dank zij de uitgewisselde ledenlijsten kon men controle uitoefenen op de geldigheid of de regelmatigheid van de overgelegde documenten.
Op basis van de bewaarde archiefstukken heeft men aanzienlijke lijsten kunnen aanleggen van vrijmetselaars uit de 18de en 19de eeuw. Een massa hoeveelheid gegevens is, vooral op het vasteland, in openbare archieven terechtgekomen, waar ze door iedereen geraadpleegd kunnen worden. In Groot-Brittannie en in Nederland bezitten de obedienties indrukwekende cartotheken, waarin praktisch alle gegevens te vinden zijn over wie ooit tot hun loges heeft behoord. Deze documentatie is ook voor bonafide niet-vrijmetselaars toegankelijk.
Voor-en tegenstanders van het geheime lidmaatschap.
In de regel kunnen we zeggen dat, na het overlijden van de vrijmetselaars, het lidmaatschap vroeg of laat in het openbare domein valt. Dit geldt natuurlijk in de eerste plaats voor diegenen die tijdens hun leven op een of andere wijze bekendheid hebben verworven. De vrijmetselarij heeft nooit de verleiding kunnen weerstaan de namen van beroemde broeders in het zonlicht te plaatsen. Ieder historisch overzicht vermeldt een aantal namen van beroemdheden die men tot de leden van de vrijmetselarij rekent en die men met trots vermeldt, ook al behoort men tot een loge of obedientie waar de genoemden zich allerminst in thuis gevoeld zouden hebben.
Vooraanstaande burgers die slechts op bescheiden en kortstondige wijze tot de vrijmetselarij hebben behoord, of er met slaande deuren uit vertrokken zijn, worden niet zonder enige ijdelheid toch steeds weer vermeld.
Dit geldt voor Voltaire, die drieenvijftig dagen voor zijn dood meer geintroniseerd dan werkelijk geinitieerd werd in de loge "Les Neufs Sceurs". Het lijkt erop dat men nog vlug even de Meester voor de logekar heeft willen spannen, hierbij zijn vroegere misprijzende uitlatingen over de vrijmetselarij vergetend.
Winston Churchill (1874-1965), die in zijn jeugdjaren slechts korte tijd lid was, heeft in het museum van de "United Grand Lodge" een prominente plaats gekregen.
De belangrijke Franse politicus Pierre Mendes France (1907-1982) verliet in 1945 de "Grand Orient de France", waarmee hij een meningsverschil had. Niettemin komt zijn naam in alle maçonnieke biografische woordenboeken voor.
Hetzelfde geldt bij ons. Op de uitstekende tentoonstelling die in 1983 aan de vrijmetselarij in onze gewesten tussen 1740 en 1840 gewijd was, werd aandacht besteed aan prominente Belgen die in de vrijmetselarij waren ingewijd, waaronder enkele die er zich vlug van afkeerden of er zich zelfs tegen keerden. Dit geldt voor de medestichters van het Belgisch koninkrijk, Felix de Merode (1791-1857) en Jean-Baptiste Nothomb (1805/1881), evenals voor Edouard Ducpetiaux (1804-1868), de vernieuwer van het Belgische gevangeniswezen.

In de maçonnieke woordenboeken zal men telkens weer de namen aantreffen van bekende figuren waarvan het helemaal niet bewezen is en zelfs twijfelachtig dat ze ooit vrijmetselaar waren. Dit geldt o.m. voor de prinsbisschop van Luik, Charles de Velbruck (1720-1784), voor de industrieel John Cockerill (1790-1840), voor de componisten AndreModeste Gretry (1741-1813) en Peter Benoit (1834-1901) of voor de violist Charles de Beriot (1802-1870).
Voor de achttiende en de negentiende eeuw zijn de meeste namen van vrijmetselaars in het openbare domein gevallen.
Voor de periode tot aan de Tweede Wereldoorlog zijn heel wat namen op de onvriendelijkste wijze bekend geraakt: de publikatie ervan door anti-maçonnieke activisten.
Het lidmaatschap kennen van de thans levende vrijmetselaars is minder vanzelfsprekend, hoewel ook nu de geheimhouding niet waterdicht is. Een aantal vriimetselaars heeft geen bezwaar om als dusdanig bij het brede publiek bekend te ziin. Het gaat in de eerste plaats om diegenen die hoge functies bekleden in hun obedientie en als spreekbuis naar buiten treden. Ook andere broeders maken van hun lidmaatschap geen geheim meer. Onder hen zijn zelfs vooraanstaande politici die openlijk voor hun vrijmetselaarschap uitkomen. Het aantal broeders dat in de openbaarheid treedt, neemt toe.

Ook de vrijmetselaars die op hun overlijdensbericht hun lidmaat schap laten vermelden, zijn de jongste jaren talrijker geworden.
Niet alle vrijmetselaars gaan met de geheimhouding van het lidmaatschap akkoord. Diegenen die hun lidmaatschap aan de buitenwereld bekend maken, bekritiseren impliciet de broeders die niet dezelfde moed hebben.
De Duitse filosoof en vrijmetselaar Karl Krause had geen waardering voor de geheimhouding en oordeelde dat de essentie van de maJconnieke arbeid, de oprichting van een universele "Menschheitsbund", in volle openheid moest gebeuren. Ook Lessing en Herder hadden voor hem geschreven dat de vereniging van alle mensen niet in het geheim diende te worden nagestreefd.
De filosoof Leo Apostel heeft onderstreept dat alle denkers die de vrijmetselarij hebben bestudeerd, het geheim hebben afgewezen. De vrijmetselarij, zo zegt Apostel, heeft niet de verontschuldiging van geheime genootschappen of actiegroepen die onder dictatoriale regimes de revolutie voorbereiden. Ze is, vanwege haar verzoenend ideaal, een vredelievende vereniging waarvan de doelstellingen publieke belangstelling en discussie vereisen, ook al vragen haar werkzaamheden stilte en discretie. Apostel besluit dan ook: De vrijmetselarij moet ophouden een geheim genootschap te zijn om een besloten genootschap te worden. De ledenlijst moet gepubliceerd worden en niemand mag als lid aanvaard worden die niet openlijk als maçon bekend kan of wil zijn.

Een vooraanstaand lid van de "Droit Humain", Marthe Van de Meulebroeke (°1922), schreef onlangs, voorzichtiger weliswaar, in dezelfde zin: "De vrijmetselarij heeft geen maskers nodig. Ze leeft uitstekend in volle daglicht. Zo voelt ze zich het best. Waarom zouden de vrijmetselaars zich tonen zoals ze zijn? Omdat dit gezonder is dan zich te laten veronderstellen zoals men niet is!"
Dit is evenwel niet de zienswijze van de meerderheid van de vrijmetselaars en zeker niet van de leiders van de verschillende obedienties. Sommigen maken er een heel drama van wanneer namen zijn uitgelekt en blijkt "dat de tempel niet meer gedekt is".
De conclusie uit dit alles is dat het geheim van het lidmaatschap voor het verleden bijna onbestaande is en voor het heden ook relatief blijft.
Argumenten voor en tegen het geheim.
Welke argument en worden door de vrijmetselaars aangevoerd om de geheimhouding van het lidmaatschap te verantwoorden?
Het voor de hand liggende argument is dat men nadelige gevolgen of zelfs vervolging vreest, als men als vrijmetselaar bekend staat.
Ook de Belgische vrijmetselaars zijn verzot op verhalen over de gevaren die zij lopen. Heel wat vergaderingen, zelfs hele studiedagen worden gewijd aan de "anti-maçonnieke hetze" en men draait vaak de film "Forces Occultes", die tijdens de oorlog door de Franse anti-vrijmetselaarsdiensten werd gemaakt. Men verwijst naar de vervolgingen die in de voorbije eeuwen vrijmetselaars hebben getroffen. Dit lijkt er eigenlijk op dat men zichzelf wat bang maakt.
Het argument is immers weinig steekhoudend. Allereerst maken de vrijmetselaars zich begoochelingen nopens de onwetendheid van de buitenwereld over wie tot een loge behoort. In kleine steden zijn er aanzienliike lekken en in grote steden zal dit binnen bepaalde kringen wel niet anders zijn.
Het lijkt van een overdreven wantrouwen tegenover zijn medeburgers te getuigen, wanneer men vreest dat men in zijn beroep of in ziin belangen geschaad zal worden door als vrijmetselaar bekend te staan. Zoiets is niet meer van deze tijd.
We mogen integendeel aannemen, dat de vrijmetselarij in haar geheel en ieder lid in het bij zonder aan eerbiedwaardigheid zou winnen , als de totaliteit bekend zou zijn van vooraanstaande dames en heren en van bescheiden maar niet minder achtenswaardige burgers die er deel van uitmaken.

Het argument dat er ooit nog eens vervolging zou kunnen komen, dat het niet zeker is dat we nooit meer een rechts of een links totalitair regime zouden kennen, is al evenmin overtuigend. Het verleden heeft b ewez en dat zulke regimes wel weten hoe aan de ledenlii sten te rake n . Waarom trouwens zouden de vrijmetselaars zich niet even moedig gedragen—ze hebben dit trouwens in het verleden gedaan als de christenen en de joden die op het gebied van vervolgingen al heel wat ergere tijden hebben beleefd? We citeren nogmaals Leo Apostel: "Indien het maçonnieke ideaal is wat ik denk dat het is, moet men trots zijn te kunnen verkondigen dat men meewerkt aan iets zo verhevens en zo moeilijks. In de huidige omstandigheden zijn de bedreigingen van onze vijanden onvoldoende ernstig om een oppervlakkige en onechte geheimhouding te rechtvaardigen".
Het "Dictionnaire de la franc-maçonnerie" vermeldt nog twee andere argumenten. Het eerste luidt dat de "profane" wereld de neiging zal hebben de vrijmetselarij te beoordelen naar de vriimetselaars die bekend zijn. Als het om minder eerbare lieden gaat waar vindt men die niet?—zal men negatieve conclusies trekken over het geheel van de vrijmetselarij. Dit argument lijkt ons twijfelachtig. Het tegenovergestelde is even waar. Als alle macons bekend zijn en er lopen een paar zwarte schapen tussen, dan zal men des te gemakkelijker inzien dat het om uitzonderingen gaat die de algemene regel van volkomen eerbaarheid bevestigen. De Kerken worden toch ook niet verantwoordelijk gesteld voor de minder stichtende gedragingen van een aantal van hun leden?
Het tweede argument is dat het geheim noodzakelijk is voor de inwendige vrijheid van de Orde. De vrijmetselarij is een gezelschap waar men in volle vrijheid zichzelf en de maatschappelijke waarden ter discussie moet kunnen stellen. Daarbij moet de vrijmetselaar in de "profane" wereld het goede kunnen nastreven, omdat hij macon is maar zonder dat men daar weet van heeft. Zoniet zal men veronderstellen dat hij het om geinteresseerde motieven doet of omdat hij de richtlijnen van de organisatie volgt. Het geheim zal hem dus in staat stellen nuttiger werk te leveren in de "profane" maatschappij, zonder dat dit negatieve of vijandige reacties oproept.

Ook deze argumentatie kan worden omgekeerd. Omdat het lidmaatschap bekend zou zijn, hoeft de vrijmetselarij nog niet op te houden een besloten vereniging te zijn die over haar werkzaamheden aan de buitenwereld enkel meedeelt wat ze zelf kwijt wil. In een kloostergemeenschap, waarvan alle leden bekend zijn, wordt het inwendige leven toch ook niet aan de grote klok gehangen?
Wat de activiteiten van de vrijmetselaars in het profane leven betreft, waarom zou men hun a priori negatief moeten gaan beoordelen? Kan men zeggen dat men de professionele of andere activiteiten van bekende vrijmetselaars negatief beoordeelt of dat zij gehinderd zouden zijn zowel in hun maçonnieke als in hun "profane" bezigheden? Kunnen bekende vrijmetselaars zoals bijvoorbeeld Sylvain Loccufier, Victor Martiny, Piet Van Brabant, Herman Balthazar, Herve Hasquin, Walter De Brock, Jean Gol of Andre Cools er zich over beklagen dat in hun openbaar optreden het bekend zijn van hun logelidmaatschap een last is die zij als hinderlijk aanvoelen?
Het is wellicht moeilijk te verwachten dat de vrijmetselaars zullen afzien van het geheime lidmaatschap, aangezien een groot aantal onder hen ervan houdt als van hun oogappel. Stemmen zoals die van Leo Apostel of Marthe Van de Meulebroeke zijn uitzonderingen. Het is evenwel niet onredelijk te verwachten dat steeds meer vrijmetselaars over hun lidmaatschap opener zullen worden en de enigszins paranoide geheimhouding zullen marginaliseren. De onwennige en soms nog vijandige houding van de buitenwereld tegenover de loges zou in een dergelijk klimaat van openheid aanzienlijk afnemen, zoniet zelfs verdwijnen.

Dat de geheimhouding van het lidmaatschap negatieve en zelfs catastrofale gevolgen kan hebben, werd in het recente verleden aangetoond door het schandaal dat de Italiaanse vrijmetselarij trof.
Propaganda Due.
Het schandaal van de loge "Propaganda Due", dat nu al tien jaar de vrijmetselarij het leven zuur maakt, geeft inderdaad een weliswaar extreem voorbeeld van de misbruiken die kunnen ontstaan.
Zowel binnen als buiten de vriimetselarij spreekt men meestal over P2 als over een "zogezegde loge". Helaas toont het ware verhaal aan dat P2 een regelmatig geconstitueerde loge was, die op de volle steun kon rekenen van verschillende opeenvolgende grootmeesters.
Het moet allereerst worden benadrukt dat P2 deel uitmaakte van de "Grand Oriente d'Italia", de "reguliere" door "United Grand Lodge" erkende obedientie. Het Grootoosten in Italie staat nochtans ideologisch veel dichter bij de "irreguliere" loges. Het streeft politieke doelstellingen na zoals de opzegging van de akkoorden van Lateranen, de echtscheiding en de laicisering van de Staat.
Toch werd juist deze obedientie in 1972 door Londen als "regulier" erkend, terwijl veeleer te verwachten was, dat dit de veel spiritualistischer en deistischer Grootloge van Italie te beurt zou zijn gevallen. Tengrondslag aan deze erkenning ligt een Amerikaanse bemiddeling en een ceIltenkwestie. Onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog werd het Grootoosten in bescherming genomen door enkele hoge Amerikaanse logedignitarissen van Italiaanse origine. Zij slaagden erin het "Palazzo Giustiniani", de vooroorlogse zetel van de obedientie, van de Italiaanse Staat af te kopen en aan de Italiaanse broeders terug te schenken. De losprijs hiervoor was dat die zich voortaan moesten afkeren van de irreguliere" Europese loges. Vanaf 1946 werd het Italiaans Grootoosten door Amerikaanse obedienties erkend, wat in 1972 uiteindelijk leidde tot de meest gegeerde onder de erkenningen, die van de "United Grand Lodge".

Een van de Amerikaanse dignitarissen, Franco Gigliotti, was gedurende de oorlog actief op de Italiaanse sectie van de OSS, de voorganger van de CIA. Het is niet uitgesloten dat de transacties tussen Amerikaanse en Italiaanse maçons van nabij door de CIA gevolgd of zelfs geinspireerd werden. Ze pasten in elk geval in het kader van de aanzienlijke inspanningen die de Verenigde Staten zich na 1945 getroostten om de bevolking, en in de eerste plaats de politieke partijen, de vakbonden, de grote organisaties zoveel mogelijk in democratische, Atlantische richting te stuwen.
Gedurende drie opeenvolgende triennia, van 1961 tot 1970 werd de "Grand Oriente" geleid door grootmeester Giordano Gamberini. Van hem is bekend dat hij zeer actief optrad om financiele hulp te verstrekken aan broeders die kandidaat waren bij parlementsverkiezingen.
Onder zijn grootmeesterschap werd in 1965 een textielhandelaar uit Arezzo als broeder ingewijd. Zijn naam was Licio Gelli (°1919). Hij had een heel ingewikkeld verleden: soldaat in het Franco-leger in 1936, fascist tijdens de oorlog, overgelopen naar de partisanen tegen het einde van de oorlog, maar toch veroordeeld als collaborateur, was hij uitgeweken naar Argentinie, waar hij allerhande activiteiten ontplooide en de vriendschap van generaal Peron verwierf. Midden de jaren zestig vestigde hij zich opnieuw in Italie, waar hij blijkbaar over de goede connecties beschikte om niet alleen een welvarende import-exportzaak in textiel op te zetten, maar ook bijna onmiddellijk in de "Grand Oriente" te worden opgenomen , eerst in een plaatselijke werkplaats en twee jaar later in een geheime administratieve loge die rechtstreeks van de grootmeester afhing .

Deze loge met de naam "Propaganda Masonica Numero Due" bestond sedert 1895 en was voortgesproten uit een in 1877 opgerichte "Propaganda Numero Uno". De bedoeling van dergelijke geheime loges was voorname kandidaten, die om een of andere reden geen enkele publiciteit wensten en evenmin bewogen wilden worden tot activiteiten in de schoot van een werkplaats, toch in de obedientie te kunnen opnemen. Hun initiatie gebeurde zonder ceremonieel "sul filo delle spade" (op hat scherp van het zwaard) en de geheime broeders kregen een bijzondere status "all orechio del G .°. M.°. " (ter beschikking van de grootmeester). Alleen de grootmeester en de grootsecretaris kenden de lijst van de masoni coperti", de clandestiene macons. Dit was allemaal natuurlijk een typisch uitvloeisel van de complotgeest die in Italiaanse politieke en andere kringen hoogtij vierde.
De Italiaanse democratie onder zware druk.
In het begin van de jaren zeventig verkeerde Italie in een zo chaotische toestand, dat het democratisch bestel ernstig in gevaar leek.
De in 1962 tot stand gekomen "apertura a sinistra", de samenwerking tussen de christen-democratie en de socialistische partijen, stond op springen en er dreigde een gezagsvacuum te ontstaan. De economische toestand verslechterde zienderogen, de georganiseerde misdaad nam sterk toe, de stadsguerrillagroepen van uiterst rechts en uiterst links begonnen aan hun gewelddadige acties, de neo-fascistische prins Junio Borghese organiseerde een staatsgreep, die in extremis niet doorging: meer dan ooit was Italie "de zieke man van Europa".
In deze atmosfeer stelde de leider van de communistische partij, Enrico Berlinguer (1922-1984), op 11 september 1973 aan de christendemocraten een "historisch compromis" voor, om samen regeringsverantwoordelijkheid op te nemen. De linkervleugel van de "Democrazia Christiana" was dit voorstel genegen, zodat de mogelijkheid reeel werd de communisten aan de macht te zien komen.
De rechtse kringen waren ervan overtuigd dat het, naar Oosteuropees voorbeeld, niet lang zou duren voor de communisten vanuit de verkregen machtsposities een staatsgreep zouden plegen en de "dictatuur van het proletariaat" zouden vestigen. Deze zienswijze werd versterkt door de gebeurtenissen in Portugal, waar de "anjerrevolutie" in een communistische machtsgreep dreigde uit te monden. Dit wilde men natuurlijk in Italie tot elke prijs verhinderen.

Toch baande het idee van het "historisch compromis" zich een weg, stilaan ontstond toenadering tussen christen-democraten en communisten en op 16 maart 1978 kreeg een christen-democratische minderheidsregering, onder leiding van Giulio Andreotti (° 1919), het vertrouwen van de parlementsleden, met inbegrip van de communistische afgevaardigden. De communisten maakten voortaan deel uit van de regeringsmeerderheid, laatste stap om ook effectief tot regeringsdeelname te worden toegelaten. Maar op diezelfde zestiende maart werd de voornaamste advocaat van het "historisch compromis" aan christen-democratische zijde, oud-premier Aldo Moro (1916-1978), in volle centrum van Rome door de "Brigati Rossi" ontvoerd en enkele weken later vermoord. Tot op vandaag blijft rond dit drama een waas van geheimzinnigheid hangen.
Het gevolg was alvast dat het "historisch compromis" definitief opgeborgen werd. Moro was het aanzienlijkste slachtoffer van de terreurgroepen, maar slechts een onder vele. De uiterst linkse Rode Brigades en de uiterst rechtse neo-fascistische terreurgroepen waren verantwoordelijk voor honderden slachtoffers, vooraanstaande politici, magistraten en militairen, maar ook vele gewone burgers die door onverbiddellijke en blinde bomaanslagen om het leven kwamen. De terroristen hadden zichzelf buiten de wet gesteld, maar een aantal burgers en intellectuelen "boven alle verdenking" waren hun objectieve bondgenoten, door gunstig te staan tegenover een "strategie van de spanning" die volgens hen, al naar gelang van hun politieke opstelling, moest leiden tot een verdere aftakeling van de democratie of integendeel tot het versterken ervan. In feite waren de enen voorstanders van een totalitair links regime, de anderen van een autoritaire rechtse staat.
In dit klimaat moeten de activiteiten van Gelli en van de P2-loge gesitueerd worden en kunnen ze ook beter begrepen worden.
Gelli dynamiseert de P2.
Toen Gelli lid werd van de P2, telde dit overblijfsel uit de Garibalditijd nog amper veertien leden. In 1970 werd grootmeester Gamberini opgevolgd door een Florentijnse geneesheer van socialistische strekking, Lino Salvini. Die ontbood Gelli en vroeg hem de P2-loge tot nieuw leven te brengen. De eerste doelstelling was invloedrijke leden samen te brengen die zouden ijveren voor de erkenning van de "Grand Oriente" door de "United Grand Lodge" en tevens zouden pogen de eenheid binnen de Italiaanse vrijmetselarij te herstellen.
Gelli werd secretaris van de P2 loge en oud-grootmeester Gamberini nam er de leiding van. In 1972 werd de eerste doelstelling verwezenlijkt: de erkenning vanwege de Engelsen werd verkregen. Weldra telde de loge vierhonderd leden die allen afzonderlijk ingelijfd werden tijdens korte plechtigheden in een suite van het Excelsiorhotel in Rome. Het bleek al vlug dat Gamberini, Salvini en Gelli andere dan alleen maar ma,connieke bedoelingen hadden. Het was er hun om te doen een denktank te vormen die van dichtbij de evoluties in de Italiaanse maatschappij zou volgen en er zo mogelijk invloed op zou uitoefenen.
In december 1971 schreef Salvini aan de P2-leden: "Voortaan zullen we het genoegen hebben mekaar vaker te ontmoeten om niet alleen de sociale en economische problemen te bespreken die de broeders aanbelangen, maar ook die welke de hele maatschappij aangaan".

In een verslag opgesteld door Gelli rond dezelfde tijd vernemen we iets meer over wat hiermee bedoeld werd. Hij rapporteerde de discussies die de leden hadden gevoerd over de politieke en economische toestand in Italie, over de dreiging dat de communistische partij met akkoord van de "klerikalen" de macht zou grijpen, over het gebrek aan orde en tucht en over de toenemende immoraliteit en wanorde in de Italiaanse samenleving.
Had dit alles nog weinig te maken met maJconnieke werkzaamheden, men kon het op zichzelf niet ten kwade duiden dat conservatieve burgers zich zorgen maakten over bepaalde evoluties die zij negatief beoordeelden.
Het werd evenwel duidelijk dat er meer achter stak, toen Gelli schreef: "Velen onder ons vragen zich af hoe wij ons zouden moeten gedragen indien we op een morgen zouden ontwaken met de vaststelling dat de clerico-communisten de macht gegrepen hadden. Zouden we ons daarbij moeten neerleggen of zouden we duidelijke stellingen moeten innemen, en zo ja op basis van welk noodplan?" Een dergelijke gedachw tengang lag in de lijn van de geheime militaire "Gladio"-organisatie, die in de jaren van de koude oorlog in een aantal Navolanden tot stand wag gekomen en waarvan het bestaan pas einde 1990 bekend werd. Deze uiterst geheime afdeling van de geheime diensten had tot doel de weerstand te organiseren, als ooit een communistische machtsgreep plaats zou vinden.

Voortaan bespraken de leden van P2, onder wie zich generaals, politiechefs, hoofden van de geheime diensten en magistraten bevonden, de verschillende aspecten van mogelijke subversie en destabilisatie in Italie.
De bijeenkomsten van de P2-loge, die binnenskamers werd voorgesteld als een "Studiecentrum voor hedendaagse geschiedenis", begonnen stilaan argwaan te wekken. De inhoud van de besprekingen bleef immers niet helemaal verborgen voor de overige macons. In 1974 kwamen een aantal achtbare meesters in Napels bijeen, constateerden dat de werkzaamheden van de P2-loge niet in overeenstemming te brengen waren met de maçonnieke principes en eisten de ontbinding ervan. Dit werd des te dringender geacht, omdat stilaan allerhande negatieve berichten rondgestrooid werden, zowel over het dubieuze verleden als over de eigenaardige zoniet frauduleuze activiteiten van Licio Gelli.
Salvini trok zich hiervan niets aan, integendeel. De activiteiten van de P2-loge werden alleen nog geheimer en Licio Gelli werd van secretaris tot achtbare meester bevorderd. De loge heette voortaan "Raggrupamente Gelli Propaganda Due". In juli 1976 besliste evenwel de algemene 9 vergadering van de "Grand Oriente", dat de P2-loge opgeheven moest worden en dat Gelli voor drie jaar geschorst werd, wat ogenschijnlijk gebeurde. Salvini gaf evenwel instructies om gewoon door te werken en schreef aan Gelli: "In het promoveren en aanmoedigen van de activiteiten die u nuttig en interessant acht voor de vrijmetselarij, zult u uitsluitend bij mij verslag uitbrengen. Ik ben ervan overtuigd dat u deze taak zult vervullen met de zelfde onvervaarde geest waarmee u de verraderlijke aanvallen hebt getrotseerd van de verraders van onze instelling".

Die "verraders" waren enkele zogenaamde "democratische vrijmetselaars", met als woordvoerder Francesco Siniscalchi, die tot de overtuiging gekomen waren dat P2 staatsgevaarlijke activiteiten ontwikkelde en ze, of zeker Gelli, minstens verdacht moest worden van criminele activiteiten: wapentrafiek, financiele delicten of samenwerking met terroristische groepen. Zoiets te durven veronderstellen werd door Salvini onaanvaardbaar geacht en Siniscalchi en zijn medestanders werden zonder meer uit de "Grand Oriente" gestoten.
Er bleef hun niets anders over dan een dossier in te dienen bij de gerechtelijke diensten. Dit gebeurde in december 1976. Het zou nog tot 17 maart 1981 duren voor actie werd ondernomen.
Ondertussen was grootmeester Salvini, naar men zegt onder druk; van enkele vooraanstaande Amerikaanse maçons die over de P2-geschiedenis ingelicht waren, in 1978 afgetreden. Ook die Amerikanen wisten niets anders dan dat P2 in 1976 opgehouden had te bestaan.
Salvini's opvolger, generaal Ennio Battelli, zou nog grotere schande over de loges brengen. Zijn verkiezingscampagne want om grootmeester te worden in het Italiaans Grootoosten moet men campagne voeren werd gefinancierd door Gelli, die hem ook na die verkiezing nog aanzienlijke sommen schonk. Battelli bleef dan ook de geheime loge verder gedogen. In 1982 werd hij beschuldigd en verdacht van medeplichtigheid aan de bloedige aanslag in augustus 1980 in het station van Bologna.

Ondertussen en vanaf 1977 was Gelli nog een stap verder gegaan en had hij een "Organizazione Mondiale per l'Assistenza Masonica" opgericht, met zetel in Monte Carlo en met vooral contacten in Latijns-Amerika. Begin 1981 werkte Gelli onder deze internationale vlag een "hervormingsprogramma" uit. Het uiteengezette doel was in ieder land de vrijmetselarij te laten optreden als een machtscentrum voor het bestrijden van dictaturen en het bevorderen van het materieel en spiritueel welzijn van de volkeren. De organisatie moest machthebbers en opiniemakers bijeenbrengen die ernaar zouden streven op gecoordineerde wijze en natuurlijk in het geheim, hun macht te behouden en uit te breiden. De mythe dat de wereld beheerst werd door "Superieurs Invisibles", wilden Gelli en zijn medestanders tot werkelijkheid maken.
Hiervan was op dat ogenblik zowel bij het publiek als in de loges niets bekend. Voor de vrijmetselaars die bij de discussies over de P2-loge betrokken waren geweest, leek het gevaar na 1976 geweken. Voor zoveel zij wisten, was de loge definitief opgedoekt. Pas in 1981 zouden ze in hun kranten vernemen dat de grootmeesters Gamberini, Salvini, Battelli en een paar handlangers hun bedrogen hadden.
Denktank of subversieve organisatie?
Vanaf 1975 ontplooide Gelli een aanzienlijke activiteit en het ledenaantal benaderde weldra de duizend. Regelmatig en nog in 1980 stortte hij in de kas van het Grootoosten de lidmaatschapsbijdragen van deze geheime vrijmetselaars. Gelli gaf aan de leden een overzicht van het soort prominenten dat hij wou recruteren: "Financiers en industrielen op het hoogste niveau; eminente vertegenwoordigers van de vrije beroepen, overheidsdiensten en magistratuur; een veertigtal zorgvuldig uitgekozen politici; en vooral veel technici. Het doel moet zijn sleutelfiguren te hebben op alle functies in het staatsbestel waar beslissingen genomen of uitgevoerd worden".
De lijst van 953 leden die op 17 maart 1981 in villa Wanda in Arezzo door de moedige kolonel Bianchi in beslag werd genomen, beantwoordde volledig aan deze doelstelling.
Tengevolge hiervan werden, onder luid protest van grootmeester Battelli tot bij de president van de republiek, huiszoekingen verricht in de zetel van het Grootoosten, Piazza Giustiniani, waar bijkomende informatie werd gevonden.
Onder de meer dan honderd als lid vermelde hogere officieren waaronder een reeks admiraals en generaals, bevonden zich de generaals Grassini, Santovito, Musemeci en de prefect Pelosi, allen aan het hoofd van de verschillende Italiaanse geheime diensten. Lid waren ook: tweeendertig officieren van de "Guardia di Finanza", twaalf prefecten en 1 secretarissen van grote gemeenten, vier ambtenaren van Buitenlandse Zaken onder wie de secretaris-generaal, zevenenzestig van financien, veertig van Openbare Werken en Onderwijs, een directeur generaal van het ministerie voor Industrie, vijftig universiteitsprofessoren.. Verder nog een aantal magistraten, onder wie heel wat voorzitters van arrondissementele rechtbanken. Uit de financiele en economische wereld kwamen Roberto Calvi, de gebroeders Sindona, de Florentiinse "godfather" en wapenhandelaar Alessandro del Bene en de uitgever van de "Corriere della Sera" A. Rizzoli, evenals een twintigtal bekende journalisten.

De politieke wereld leverde onder meer zesendertig christen-democratische, socialistische en republikeinse parlementsleden, onder wie verscheidene ministers. Onder de enkele buitenlanders die tot de loge behoorden, bevond zich de Belgische consul-generaal in Milaan, Hans De Belder.
De Belder en anderen hebben altijd ontkend dat ze tot P2 toegetreden zouden zijn. Gelli verklaarde (maar wat moest men van de in het defensief gedrongen Gelli geloven?), dat ongeveer de helft van de op de ledenlijst voorkomende namen niet echt lid waren, maar als potentiele recruten waren genoteerd. Ook hier dus een typisch Italiaans "imbroglio". Sindsdien is de P2-loge in verband gebracht met talrijke criminele en terroristische activiteiten. Vooral de moord op premier Aldo Moro in 1978 blijft P2 achtervolgen. Was de loge er oorzaak van dat, naar beweerd wordt, weinig inspanningen werden geleverd door de politie en de geheime diensten waarvan de kopstukken P2-leden waren om de ontvoerde politicus levend terug te vinden?
Het lijkt alvast zeker dat Gelli zelf in criminele of duistere zaken verwikkeld was en hij op zijn minst geen goede omgang betekende voor eerbare burgers, laat staan voor gezagdragers.

Wat is de loge P2, die door de Italiaanse parlementaire onderzoekscommissie met de Ku Klux Klan werd vergeleken, werkelijk geweest? Wisten de leden dat ze toetraden tot de vrijmetselarij of werd hun dit verzwegen en dachten ze in een soort Rotary of in een conservatieve denktank te zijn terechtgekomen? Wilden ze subversieve acties ontwikkelen en een staatsgreep voorbereiden of vormden ze een debatclub waar ze onder heren van aanzien en gezag de vrije loop konden geven aan hun frustraties over de gebrekkige gang van zaken in de Italiaanse samenleving? Was Gelli een geniale manipulator of was hij slechts een marionet waarvan machtiger heren de activiteiten controleerden? Was hij een idealist van rechts of was hij een revolutionair en terrorist?
Was hij een naieve burger, die ongewild in duistere transacties werd meegesleept of was hij een doortrapte schurk? Was hij een agent van de CIA of van de KGB of van allebei?
Al deze vragen zullen wellicht mettertijd een antwoord krijgen. Ondertussen blijft Licio Gelli, met zijn fysiek van deftige en vriendelijke grijsaard, van de verworven welstand genieten in de patriciersvilla Wanda en blijft hij zweren dat hij het allemaal goed meende, ook en vooral met de vrijmetselarij. Hij staat interviews toe, wordt gelauwerd in een poeziewedstrijd, wordt voorgedragen om senator te worden, in een woord blijft bijna bestendig in de publieke belangstelling en acht zich verheven boven alle verdenking van staatsgevaarlijke activiteiten.
Gevaren moeten erkend worden.
De maçonnerie heeft niet alleen in Italie maar over de hele wereld de ongunstige weerslag van het P2-schandaal ondervonden. Het staat nu vast dat de vrijmetselarij een thuishaven kan zijn voor minder scrupuleuze heren die staatsgevaarlijke activiteiten willen ontwikkelen. Het is duidelijk dat de selectiemethodes dubieuze elementen tot aan de top kunnen brengen en dat de principes van geheimhouding aan die elementen de mogelijkheid geven om de vrijmetselarij te misbruiken in dienst van hun eigen betrachtingen.
In het hier behandelde geval gaat het niet enkel om Gelli, maar om niet minder dan drie opeenvolgende volledig regelmatig verkozen grootmeesters van een van de grote Europese obedienties! Die vaststelling heeft traumatiserend gewerkt op de broeders en het is slechts heel langzaam dat men de gevaren heeft willen erkennen en de betrokkenheid van de maconnerie in het P2-schandaal heeft willen toegeven.
Toen de Franse advocaat en "reguliere" vrijmetselaar Alec Mellor in 1982 over de P2-loge schreef, hield hij vol dat het op zijn laatst vanaf de schorsing in 1976 om een neploge ging en dat de "Grand Oriente" hier niets mee te maken had. Hij had het excuus dat toen nog maar weinig aan het licht was gekomen van wat de ware toedracht was.
Dit excuus kon "United Grand Lodge" niet meer laten gelden, toen ze in maart 1987 in haar tijdschrift "Masonic Square" schreef over "de pseudo-loge P2, een valse vereniging die op geen enkele wijze aangesloten was bij het Italiaanse Grootoosten".

Een veel openhartiger tekst verscheen in 1990 in een publikatie van de ULB onder de titel "Sous le masque de la franc-maçonnerie". Francesco Amato (°1938), zelf lid van de gemengde loge "Droit Humain", schreef er: "Dit is geen mooie bladzijde in de geschiedenis van de vrijmetselarij. Broeder Licio Gelli, regelmatig ingewijd in het Grootoosten van Italie, heeft de maconnieke werkwijzen en de maçonnieke discretie misbruikt met het doel een rechtsstaat aan het wankelen te brengen. We kunnen verbaasd zijn over het lange stilzwijgen van de vrijmetselarij, sinds de bevindingen van het onderzoek over deze loge en haar achtbare meester bekend zijn. Gebeurt het soms dat de vrijmetselarij zich in struisvogel omvormt?"
Men kan natuurlijk argumenteren dat wat in Italie gebeurd is, typisch Italiaans is. De crisis die dit land in de jaren zeventig heeft doorgemaakt , heeft niet enkel de vrijmetselarij in discrediet gebracht . De politieke partijen, de magistratuur, de universiteit, de bankwereld, het Vaticaan en veel andere instellingen die tot het establishment van het schiereiland behoren, hebben deze periode niet zonder kleerscheuren overleefd.
Dit belet allemaal niet dat de vrijmetselarij in haar diepste wezen werd aangetast. De voornaamste obedientie van een groot land, erkend door alle "reguliere" obedienties ter wereld, is in handen gevallen van minder scrupuleuze grootmeesters, zonder wie het P2-schandaal nooit zou hebben plaatsgehad. Het is voor de verpletterende meerderheid van bona-fide vrijmetselaars zeer ontnuchterend dat hun organisatie tot zulke afwijkingen kan leiden.

Is een herhaling uitgesloten? Men kan het verhopen, zonder hierover zekerheid te hebben. Immers ook in andere landen bestaan er "geheimevrijmetselaars, van wie het lidmaatschap voor hun broeders onbekend blijft. In de "Dictionnaire de la franc-maçonnerie" van 1987 lezen we hierover: "Sommige broeders die "strategische" functies uitoefenen, meestal in openbare dienst, moeten beschermd worden tegen abusieve verzoeken of tegen indiscreties. Alleen de achtbare meester van hun loge is op de hoogte van hun lidmaatschap". Men kan de vraag stellen of dergelijke lidmaatschappen wel in overeenstemming te brengen zijn met de doelstellingen van de vrijmetselarij. Het is voldoende dat een paar onder de honderden grootmeesters of enkele onder de tienduizenden achtbare meesters van bedenkelijk allooi ziin, om toestanden te doen ontstaan die opnieuw het discrediet kunnen werpen op de hele vrijmetselarij. Het lijkt dan ook wenselijk dat de obedienties in hun statuten de opname van "geheime" leden expliciet verbieden.