Maçonnieke encyclopedie

De Maconnieke Encyclopedie zoekt


Een ogenblik !

De mythe en de betekenis ervan.
De kandidaat.
De initiatie tot leerling-vrijmetselaar.
Gezel, de tweede stap.
Het decor.
Wie kan vrijmetselaar worden?
Een verdeelde familie.
Broedertwisten.
De broederschap in de werkplaats.


De mythe en de betekenis ervan.
Het oude mythische verhaal van de dood en heropstanding van Hiram, waarvan de oorsprong niet duidelijk is, werd al vanaf de eerste jaren door de Engelse "Grand Lodge" als centraal thema van de macon- ;~' nieke symboliek gekozen. Men heeft er in de loop van de eeuwen talrijke, uiteenlopende en soms tegenstrijdige betekenissen aan gehecht.
Het fundamentele gegeven is de opstanding van de kandidaat uit de dood, zijn wedergeboorte tot een nieuw leven. Dit stemt overeen met wat in andere geloofstradities bestaat, meer bepaald in de christelijke. Hiram is te vergelijken met Jezus die gekruisigd wordt, sterft en weer uit de dood opstaat. En zoals ieder christen door het doopsel een wordt met Christus zo beeldt iedere kandidaat-meester niet alleen Hiram uit, maar verpersoonlijkt hij hem. Ook hij wordt tot een nieuw leven herboren.
Als leerling en als gezel was hij nog in de voorbereidende fase, hij had nog maar gedeeltelijk de oude mens afgelegd. Met zijn verheffing tot meester, verlaat hij voorgoed het aardse, "profane" bestaan en treedt hij binnen in de onsterfelijkheid.

Een tweede element is dat van het "Verloren Woord". Het geheime woord voor de meestergraad, dat door Hiram werd gebruikt, was volgens de ma,connieke literatuur van de achttiende eeuw het woord "Jehovah".
De meesters die naar hem op zoek waren gegaan, vrezend dat de gezellen aan Hiram toch dit woord hadden kunnen ontrukken, besloten als nieuw meesterwoord het eerste woord aan te nemen dat ze zouden uitspreken als ze hem vonden. Dit woord was "Mac Benac", dat zij uitriepen toen zij het lichaam vonden en aanraakten en waar men de betekenis aan geeft van "de architect is dood" of ook nog van "het vlees komt los van het gebeente".
H et oorspronkelijke woord was voortaan het " Verloren Woord " en iedere meester kreeg de opdracht het te zoeken. Dit is het symbool van de zoekende mens, die de zin van alle dingen wil achterhalen, de wereldorde wil kennen, de wetten van natuur en heelal wil doorgronden. De rusteloze mens, de "cor irrequietum" van Augustinus, die in zijn kleinheid en eindigheid geconfronteerd wordt met alles wat hij niet begrijpt en waarvoor hij geen verklaring vindt. De symboliek van het Woord dat de vrijmetselaars ontwikkelden, sloot aan bij de christelijke opvoeding die zij hadden genoten en het is niet toevallig dat in de "reguliere" werkplaatsen en ook in sommige "irreguliere", de Bijbel geopend ligt, niet op het verhaal van de bouw van de tempel van Salomo, maar op de proloog van het evangelie volgens Johannes. "In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God".

De verwijzing naar de tekst van Johannes geeft meteen aan dat het, ook bij de vrijmetselaars niet ging of gaat om een materieel, uitspreekbaar woord dat magische of wonderbaarlijke kracht zou hebben, maar om het "Verbum", de "Logos", waarbij het uitspreekbare woord alleen maar de uitdrukking is van een concept, van een gedachte, van een principe. Voor Johannes ging het om het alles overstijgende principe: God zelf. Het Woord was God en dit "Woord is vlees geworden" en was Jezus Christus, die ons de genade en de waarheid heeft gebracht. Het zou gewaagd zijn te besluiten dat de achttiende-eeuwse vrijmetselaars en a fortiori de broeders die na hen kwamen, dezelfde betekenis gaven aan het Woord als Johannes eraan gaf. Sommigen deden het ongetwijfeld, de nadrukkelijke verwijzingen naar Sint Jan en naar ziin Evangelie tonen het aan. Voor velen, en vooral nu hee* dit Woord een rationalistischer betekenis: een Opperwezen in de deistische loges, het goede, het schoonmenselijke, het humanistische in de vrijzinnige loges. Ook in deze betekenis gaat het om een verheven gedachte en om een zoektocht in eigen hart en geest naar de kern van alle dingen, naar de zin en betekenis van het menselijke avontuur.
De kandidaat.
Voor hij de meestergraad bereikt, heeft de vrijmetselaar een opleidingsperiode doorgemaakt, eerst als kandidaat, nadien als leerling en gezel. Dit gebeurt volgens procedures en met rituele ceremonien die in grote mate gelijklopend zijn, wat ook de obedientie is.
Wanneer een "profaan aan de poort van de tempel is komen aankloppen", uit eigen initiatief of hiertoe door een vriimetselaar uitgenodigd, begint de voorbereidende fase.
De kandidaat zal een of meerdere gesprekken voeren met een paar afgevaardigden van de werkplaats die zich als vrijmetselaar bij hem aandienen en nagaan of hij de passende kwaliteiten schijnt te hebben om in de vrijmetselarij te worden opgenomen. De onderzoekers zullen zich ; bij hem thuis aanmelden, teneinde hem in zijn dagelijkse leefwereld te kunnen situeren. Als hij gehuwd is, zal men ook zijn echtgenote in de bespreking betrekken. Zonder haar akkoord zal men normalerwijze de kandidaat niet tot de loge toelaten.
Nadat de onderzoekers verslag hebben uitgebracht, alle broeders ingelicht zijn over de kandidatuur en er hun stem over hebben uitgebracht, wordt de kandidaat voor een ondervraging uitgenodigd. Bij die gelegenheid zal hij niemand van de vrijmetselaars leren kennen, buiten '' de hem al bekende onderzoekers. Hij wordt namelijk geblinddoekt in de tempel binnengebracht en moet zich zo onderwerpen aan een regelrechte ondervraging.
Daarop volgt een nieuwe stemming en gunstig voor hem uitvalt, wordt hem de dag en het uur waarop hij zich voor de inwijding of initiatie dient aan te melden
De initiatie tot leerling-vrijmetselaar.
Op de dag van zijn inwijding wordt de kandidaat eerst binnengeleid in een duister hok, meestal in de kelder van het tempelgebouw: de "kamer van overdenking". Een kaars, een doodshoofd, een zandloper, enkele cryptische spreuken tegen de muur, een paar symbolen op de tafel (zout, zwavel) vormen het decor.
De kandidaat wordt aldus symbolisch opgenomen in de schoot van Moeder Aarde, waaruit hij zal opstaan. Dit is de eerste van de vier beproevingen die gebeuren op basis van de vier elementen: aarde, lucht, water en vuur. Hij wordt een hele tijd alleen gelaten met het verzoek zijn "filosofisch testament" neer te schrijven. Hiervoor heeft men hem althans in de deistische loges drie vragen opgegeven: "wat zijn uw plichten ten opzichte van uzelf, ten opzichte van uw evennaaste, ten opzichte van God?"
Wanneer hij eindelijk wordt gehaald, worden hem alle "metalen" (horloge, ringen, muntstukken) ontnomen Symbolisch ontdoet hij zich zo van zijn hoogmoed, zijn ijdelheid, zijn hebzucht en van alles wat hem aan het materiele, om niet te zeggen aan het materialistische bindt. Het betekent ook dat hij de oude mens aflegt, met zijn verzamelde kennis, zijn overtuigingen, vooroordelen en passies en dat hij zich openstelt voor een fundamentele peiling naar het leven en vooral naar zijn eigen leven.
Hij trekt (althans in sommige ritualen) zijn rechter broekspijp op tot boven de knie, zijn linkerschoen moet hij uitdoen, zijn hemd wordt opengemaakt en hij krijgt een touw rond de hals. "Noch gekleed, noch naakt" wordt hij geblinddoekt en diep gebukt, alsof hij door een nauw gat moet kruipen, de tempel binnengeleid.
Onmiddellijk wordt hem de punt van een zwaard tegen de borst gedrukt en zegt de achtbare meester: "Dit zwaard zal de meinedige straffen; het is het symbool van de wroeging die uw hart zou verscheuren, indien u het genootschap zou verraden waarin u wilt binnentreden. De blinddoek boven uw ogen is het symbool van de verblinding die de mens treft wanneer hij door passies wordt beheerst en gedompeld is in onwetendheid en bijgeloof".

Daarop beginnen de drie symbolische "reizen" die bedoeld zijn als een proces van zuivering. De eerste reis is de beproeving van de lucht. Hij wordt met de hulp van een paar broeders heen en weer geleid rond het "tableau" en moet over allerhande hindernissen stappen terwijl de aanwezige broeders een hels lawaai maken. Daarop zegt de achtbare meester: "Deze reis is het symbool van de menselijke levensloop. Het lawaai staat voor de passies die het leven beheersen, de hindernissen verbeelden de moeilijkheden die de mens ondervindt en die hij pas kan overwinnen als hij hiervoor de morele sterkte verwerft en daarbij ook op de hulp van zijn medemens vertrouwt" .
De tweede reis is de beproeving van het water. Opnieuw wordt hij heen en weer geleid en plonst men zijn arm driemaal in een bak water, terwijl de broeders nog een licht lawaai laten klinken. Dan zegt de achtbare meester: "U hebt minder hindernissen ontmoet op deze tweedereis. De moeilijkheden ebben weg onder de stappen van diegene die volhardt in de deugd. Hij is evenwel nog niet bevriid van de strijd die hij moet voeren om te zegevieren over zijn passies en die van zijn medemensen" .
De derde reis is de beproeving van het vuur. De kandidaat wordt ditmaal te midden van een volledige stilte, weer heen en weer geleid. Een blad papier wordt vlak voor zijn gezicht verbrand of een brandende kaars of soms zelfs een elektrisch vuur voor hem gehouden. Uitleg van de achtbare meester: "De stilte drukt uit dat voor wie volhardt in de deugd het leven kalm en vreedzaam wordt. Mogen de vlammen die u omringd hebben, in uw hart de liefde voor uw evennaaste doen ontbranden".

Zodra de "reizen" doorstaan zijn, resten nog twee beproevingen.
De eerste is die van de bezegeling van de broederschap door de vermenging van het bloed. Dit wordt symbolisch uitgebeeld door een beker rode wijn waarvan achtbare meester en kandidaat samen drinken.
Vervolgens wordt een eeuwigdurend merkteken aangebracht, niet een fysisch maar een moreel: "U bent er onuitwisbaar door getekend, zegt de achtbare meester, zelfs indien u ons ooit zou verlaten".
Nu volgt het ogenblik waarop de kandidaat zijn plechtige gelofte zal afleggen. Geknield, met de hand op de Bijbel, de winkelhaak, de passer en het zwaard herhaalt hij de formule die hem wordt voorgezegd: "Ik verbind er mij toe het maçonnieke geheim te bewaren en nooit zonder toestemming iets te zeggen of te schrijven over wat ik betreffende de Orde gezien of gehoord heb...".
Hierna wordt hem de blinddoek afgenomen. In het schemerdonker ziet hij in een hoek het "lijk" verbeeld van een broeder die gestraft werd omdat hij zijn gelofte gebroken heeft en ziet hij rondom zich broeders met degens dreigend op hem gericht. Opnieuw geblinddoekt wordt hij weer voor het altaar gebracht en vervolgt hij zijn gelofte: "Hij zal ijverig en standvastig werken voor de vrijmetselarij, zal zijn broeders beminnen, de solidariteit beoefenen, vaderland en maatschappij dienen en gehoorzaam zijn aan de constituties en reglementen van de loge".

"Het licht schijne", zegt de achtbare meester, en de blinddoek wordt nu definitief verwijderd. "Volgens uw wens hebt u het Licht ontvangen. Wij zijn voortaan uw broeders". Met het lichtend Zwaard in de hand stapt de achtbare meester naar de geknielde kandidaat, slaat hem op de linker en rechter schouder en op het hoofd en zegt: "Ter ere van de Opperbouwmeester van het Heelal, in naam van onze Grootloge en uit hoofde van de machten die mij zijn verleend, ontvang ik u als leerlingvrijmetselaar en als actief lid van deze werkplaats".
De nieuw-ingewijde staat op en wordt voor het eerst als broeder driemaal omhelsd. Hij wordt omgord met een blank schootsvel, ontvangt een paar witte handschoenen, een boekje met de reglementen en ook nog een tweede paar witte handschoenen die hij aan zijn echtgenote kan schenken.
De symbolische werktuigen worden hem uitgelegd, de tekenen en aanrakingen van de leerlingengraad voorgedaan en de geheime woorden meegedeeld: het wachtwoord Tubalkain ("de eerste metaalbewerker"}, het heilige woord Jackin (naam van een van de kolommen op de westzijde van de tempel) en ten slotte het semesterwoord dat hem toegang zal verschaffen tot alle loges van de obedientie.
Tot slot wordt hij door alle broeders toegejuicht met een drievoudig handgeklap. Voor het eerst wordt hij opgenomen in de "Broederketen": allen gaan in een kring staan en slaan hun armen over elkaar. Hiermee is de rituele bijeenkomst afgelopen. In de "vochtige kamer" zal vervolgens op het heil van de nieuwe broeder gedronken worden.
Zo is de neofiet begonnen aan een lange initiatiereis die hem stap voor stap zal binnenleiden in de aparte wereld van de vrijmetselarij.

De opname wordt trouwens slechts als een virtuele initiatie beschouwd. Pas als hij zich bewust wordt van een spirituele kracht die hem stilaan bemvloedt, zal de nieuwe vriimetselaar zich werkelijk ingewijd kunnen noemen.
Volledigheidshalve dient hieraan te worden toegevoegd, dat in loges van rationalistische strekking, de inwijdingsceremonie meestal korter is en soms zelfs beperkt tot een simpele verwelkoming, kracht bijgezet door een mokerslag.
Gezel, de tweede stap.
In de eerste maanden na zijn initiatie, zal de leerling-vriimetselaar onderworpen worden aan een intensieve instructietijd. Er valt immers veel te leren: de geijkte vragen en antwoorden die tijdens de ceremonies worden gebruikt, het specifieke vrijmetselaarsvocabularium, de betekenis van de symbolen, de geheime tekens, de gewoonten en gebruiken eigen aan de werkplaats en aan de obedientie, enz. Hij is als een jonge knaap die de catecheselessen volgt. In de rituele logebijeenkomsten moet hij het stilzwijgen onderhouden: het past de leerling niet het woord te voeren. Hij zwijgt, observeert en leert.
Na enkele maanden zal hem om zijn eerste indrukken gevraagd worden en zal hij hierover een "bouwstuk" afleveren. Als dit voldoening geeft en hij zich in de werkplaats goed heeft ingeburgerd, zal hij toegelaten worden tot de tweede graad en zo zijn eerste "salarisverhoging" krijgen.
Het initiatierituaal voor de gezellengraad kent talrijke varianten. De basis ervan bestaat uit vijf initiatie-"reizen". Tijdens elke reis wordt kennis gemaakt met het gereedschap van het bouwvak: de winkelhaak, de regellat, de passer, de beitel, de hamer, het schietlood, de troffel. Telkens worden er betekenissen aan toegekend die zeer uiteenlopend zijn naar gelang van de riten. Het voornaamste is wellicht de ceremonie die wordt ontwikkeld rond de parabel uit het Evangelie: "Een zaaier ging uit om te zaaien...".
In deze inwijdingsritus worden ook de letter G en de "Vlammende Ster" geintroduceerd.

De letter "G" kan gewoon beschouwd worden als initiaal van een woord of begrip. "God" is natuurlijk het meest voor de hand liggende, maar ook gnose, geometrie, genie, kunnen van pas komen.
G kan ook alchemistische betekenissen krijgen of men kan hem als de letter Gamma gebruiken, die als hoofdletter in het Griekse alfabet de vorm van een winkelhaak heeft . De kleine Griekse letter Y is in het astrologische vocabularium het teken van de Ram. Op het een en het ander kunnen de logeredenaars, elk naar eigen inspiratie en vermogen, allerhande theorieen opbouwen.
De "Vlammende Ster" is een vijfhoekige ster of pentagram. Dit is een heel oude symbolische figuur die al door Pythagoras en zijn volgelingen vereerd werd en die in alle volgende eeuwen voor allerhande doeleinden werd aangewend. Leonardo da Vinci heeft er zijn bekende menselijke figuur in getekend: hoofd en ledematen in de verschillende benen. Veel landen hebben de vijfhoekige ster in hun nationale vlag opgenomen.
Het pentagram wordt gevormd door de viff diagonalen van een regelmatige vijfhoek. Het werd altijd als een magisch teken beschouwd, gelet op de mathematische harmoniek (de proportie 1,6 tot 0,6) en de aanwending hiervan in de "Gulden Snede" van de bouwkunst. In de magie werd het aangewend om kwade invloeden te bestrijden.
Opnieuw kan men zich voorstellen wat hiervan allemaal gemaakt kan worden in loges die op esoterische en hermetische uitweidingen belust zijn.

Toch is de gezellengraad uiteindelijk maar een overgangsgraad tussen de twee veel zwaarder doorwegende ogenblikken van de inwijding die in de leerlingengraad wordt toegekend en van de opname in de volheid van de vrijmetselarij die in de meestergraad wordt bereikt.
Het decor.
Het vrijmetselaarsrituaal wordt uitgevoerd in een rechthoekig lokaal, de "tempel" genoemd. De ingangsdeur is aan de westkant. Aan de oostkant neemt de achtbare meester plaats, samen met de secretaris, de redenaar en eventueel andere hoogwaardigheidsbekleders. De leden zitten in twee "kolommen" tegenaan de noord- en de zuidzijden en naar mekaar toekijkend. Ze zitten er in orde van hierarchische waardigheid of van ancienniteit. Achteraan, aan de westkant, hebben de eerste en de tweede opziener zitting.
De vloer van de tempel bestaat bij voorkeur uit een zwart-wit dambordmotief. Daarboven legt men een tapiXt of "tableau", waarop een aantal maçonnieke symbolen staan afgebeeld. Daarrond staan drie kandelaars in driehoeksvorm opgesteld. Op de oostelijke muur, achter de troon waarop de achtbare meester plaats neemt, staan de zon, de maan en een ster afgebeeld. De zoldering is bezaaid met sterren en de muren bekleed met de symbolen van de dierenriem. Tegen de westelijke muur staan twee zuilen opgesteld, waarrond een uitgebreide en vaak tegenstrijdige symboliek werd geborduurd. De tempels gaan van eenvoudige, soms geimproviseerde lokalen tot weelderige en indrukwekkende tempels, die in afmetingen en bekleding voor de rijkst voorziene kathedralen niet onderdoen.

Bij uitzondering kan een loge samenkomen in een niet daartoe bestemd lokaal, maar in de regel zal de tempel exclusief aan vrijmetselaarsactiviteiten gewijd ziin. Bij de "irreguliere" loges wordt de tempel plechtig in gebruik genomen, onder leiding van de Grootmeester of zijn afgevaardigde. Bij de "regulieren" mag men van een echte "consecratie" spreken. De tempel wordt toegewijd aan de Opperbouwmeester van het Heelal, men leest voor uit de H. Schrift op het thema van de Tempel van Salomo en van de hoeksteen, men bidt, men "zuivert" de ruimte door ze te bewieroken en men plengt een offer bestaande uit olie, wijn en graan. In dit indrukwekkend decor vormen de uitgedoste vrijmetselaars zelf een deel ervan. De meest gebruikte feestkleding is de smoking. Het essentieel "liturgisch" gewaad is het rechthoekige schootsvel, dat een verschillende kleur en symbolische opdrukken heeft naargelang van de graden en de riten. Alle broeders dragen witte handschoenen. De logedignitarissen dragen daarbij nog een snoer rond de hals waaraan de eretekens bengelen van hun waardigheid. Hoe hoger de graden, hoe talrijker en ingewikkelder de uitwendige tekenen waarmee de broeders versierd zijn.
Wie de hier beknopt beschreven ritualen en de talrijke andere maconnieke ceremonies beschouwt, evenals de omgeving waarin ze worden uitgevoerd, heeft heel wat aarzelingen om hierover een oordeel te geven.

Ook bij de vrijmetselaars zelf vindt men veel uiteenlopende zienswijzen. Hoe rationalistischer de persoon of de loge, hoe minder belang men aan het decorum zal hechten, soms zelfs zal men dit allemaal kinderachtig of potsierlijk vinden. Veel anderen gaan in deze ceremonies volledig op en beleven er grote voldoening aan.
"The masons simply enjoy the rituals" schrijft John Hamill, de grootarchivaris van "United Grand Lodge".
"Van die riten, primitief in hun oorsprong, achteraf verfijnd en opgepoetst, geniet ik intens", zegt de intellectueel Leo Apostel.
En Piet Van Brabant schreef over zichzelf: "Hij geraakte in de ban van zijn loge, vooral van de rituele zittingen, met al die geijkte zinnen, woorden en uitdrukkingen die hem als muziek in de oren klonken. Hij kon ze al gauw niet meer missen".
Het is alvast duidelijk dat de maconnieke ritualen en ceremonies, in de geijkte vorm en het plechtige decor waarin ze worden gehouden, tot doel hebben indruk te maken op de deelnemers en uitdrukking te geven aan een hele reeks ideeen die op symbolische wijze tot uiting worden gebracht.
De invloed die ervan uitgaat, is vanzelfsprekend een kwestie voor ieder individu die eraan deelneemt.
In onze eeuw en met onze mentaliteit kan het geheel van buiten gezien theatraal, bombastisch en zelfs kinderachtig lijken. Het komt evenwel de buitenstaander niet toe om hierover te oordelen. Als zovelen zich in dit milieu en met deze vorm van liturgische plechtigheden goed vinden, dan is dit op zichzelf een voldoende legitimatie ervan.
Wie kan vrijmetselaar worden?
Alles wat hier over de bijzondere wereld van de vrijmetselarij is meegedeeld, zal er de lezer al van overtuigd hebben, dat deze eigen-aardige verenigingsvorm niet voor de grote massa is bestemd, maar altijd voorbehouden zal blijven voor een kleine groep, een elite.
Wie zijn de potentiele kandidaten en uit welke groepen zal de Loge recruteren?
De officiele voorwaarden zijn in de verschillende obedienties tamelijk gelijklopend. De kandidaat moet meerderjarig zijn, binnen het gebied wonen dat door de werkplaats bestreken wordt en de nodige documenten overleggen: burgerlijke stand, goed gedrag, enz. Vooral moet hij een vrij en achtenswaardig man zijn en voldoende vorming hebben om de maconnieke activiteiten te kunnen volgen en begrijpen.
Jean-Pierre Bayard schrijft in "La spiritualite de la franc-maconnerie", dat om vriimetselaar te kunnen worden men open moet staan voor grote edelmoedige gedachten, men aangetrokken moet zijn door het mysterieuze en het geheime en men ook bereid moet zijn aan de eigen vervolmaking te werken.
De deistische "United Grand Lodge" geeft vier voorwaarden die door de kandidaat vervuld moeten worden:
- hij moet de eerlijke wens hebben intellectuele en morele verbetering voor zichzelf en zijn evennaaste na te streven en moet bereid zijn tijd, inspanningen en middelen in te zetten om de broederliefde, het hulpbetoon en het vertrouwen te promoveren;
- hij mag geen commerciele, sociale of geldelijke voordelen najagen;
- hij moet zich de onvermiidelijke onkosten kunnen veroorloven, zonder nadeel aan zichzelf of aan de zijnen te berokkenen;
- hij moet bereid zijn in het aanschijn van God plechtige beloften af te leggen.

Leo Apostel geeft vijf voorwaarden die hij aanwezig wil zien bij de kandidaat-vrijmetselaar: - hij moet een probleem zijn voor zichzelf, moet het verlangen hebben zichzelf beter te leren kennen, zichzelf emotioneel of intellectueel te verbluffen en moet ook bereid zijn hiervoor te lijden;
- hij moet hongeren naar menselijke contacten die hij in de gewone omgeving onvoldoende aantreft en moet bekwaam zijn te luisteren en te spreken;
- hij moet bij machte zijn over zichzelf te spreken en zich te openen voor anderen, zelfs als dit hem kwetsbaar maakt;
- hij moet een sterk engagement hebben voor minstens een niet-persoonlijk doel, dat b.v. in het domein van de kunst, de politiek, het geestesleven of zelfs de sport kan liggen;
- hij moet de wil en de capaciteit hebben om te groeien en te evolueren en terzelfder tijd moet hij sterk genoeg zijn om aan anderen eisen te stellen of om onpopulaire zienswijzen te verdedigen.

Piet Van Brabant geeft gedeeltelijk gelijklopende maar anders geaccentueerde voorwaarden. Voor hem moet de kandidaat-vrijmetselaar
- een vrij man ziin, waaronder hij verstaat dat hij zich los moet kunnen maken van vooroordelen en zich maet openstellen voor een spirituele beinvloeding;
- een rechtschapen man zijn, wat niet betekent dat hij in zijn leven al niet gefaald zou mogen hebben;
- een Godgelovig man zijn, die de ontmoeting kan realiseren met broeders van uiteenlopende godsdienstige strekkingen;
- een verdraagzaam man zijn, ook en vooral tegenover andersdenkenden: de mensen met extreme en radicale opvattingen zijn in de vrijmetselarij niet op hun plaats, integendeel men moet de tradities van de maconnerie in hoog aanzien houden en niet op contestatie, vernieuwingen en hervormingen gesteld zijn;
- receptief zijn voor ritualen en symbolen en ontvankelijk zijn voor de specifieke logesfeer, waar de gevoelsgeladenheid belangrijk is en waar meer hart en intuitie dan wel rede bij te pas komen;
- rijpheid bezitten en bewijzen leveren van geestelijke volwassenheid.

Deze voorwaarden zullen natuurlijk maar gedeeltelijk worden aanvaard door de voorstanders van een "progressieve vrijmetselarij", zoals men die vooral in het Grootoosten en in de "Droit Humain" vindt en die de nadruk zullen leggen op de capaciteit om samen met anderen activiteiten te ontplooien die volgens een welomschreven maatschappijprojekt de "profane" wereld beinvloeden en ze in een "progressieve" richting stuwen.
Een verdeelde familie.
De kinderen van Hiram vormen, op basis van hun gemeenschappelijke oorsprong en van de grosso modo gelijklopende tradities die zij onderhouden en doelstellingen die zij nastreven, een grote familie.
Toch is het een uiterst verdeelde familie, waarvan de verschillende takken zo uit mekaar zijn gegroeid, dat het meeilijk denkbaar lijkt ze ooit nog nader tot elkaar te brengen.
Tussen de deistische en de vrijzinnige loges is de kloof onoverbrugbaar. Wat ze over mekaar zeggen en schrijven, maakt van hen meer vijanden dan broeders.
Een van de geijkte dialogen uit de "catechismus" luidt als volgt:
"Bent u vrijmetselaar?"
"Mijn broeders erkennen mij als zodanig"
Juist deze erkenning levert aanzienlijke moeilijkheden op.
De antagonistische obedienties bestoken elkaar wederzijds met banvloeken en veroordelingen, die soms harder klinken dan wat de kerken ooit tegen de vrijmetselarij fulmineerden. Ook binnen de verschillende obedienties is de broederlijkheid vaak zoek. De hele geschiedenis van de vrijmetselarij is in alle landen doorweven met ruzies, schisma's, splitsingen. Het is op vandaag niet anders en het toenemende aantal obedienties is het gevolg van steeds nieuwe en onoverkomelijke meningsverschillen.
Hoe scherp de persoonlijke tegenstellingen wel kunnen zijn, werd onlangs nog aan het licht gebracht in de postume memoires van Charles Riandey (1892-1976), die gedurende veertig jaar een van de voornaamste leiders was van de "Grande Loge de France", waarvan hij in de jaren twintig en dertig de almachtige grootsecretaris was om daarna de Soevereine Grootcommandeur van de "Supreme Conseil du rite ecossais ancien et accepte" te worden. Wat vooral opvalt in deze memoires, die Riandey schreef toen hij vooraan in de zeventig was, op een leeftijd dat men meestal wat milder over mens en wereld gaat denken, is de heftigheid om niet te zeggen de haat waarmee hij de meeste vrijmetselaars beschrijft met wie hij samen veel jaren de "Grande Loge de France" en de "Supreme Conseil" leidde.
Grootmeester Maurice Monnier (1877-1931), van wie hij grootsecretaris was, beschreef hij als een grote luiaard die 's avonds liever in zijn eentje talrijke bierpotten ging ledigen dan zijn plichten tegenover de loges te vervullen. Een andere grootmeester, advocaat en "armoezaaier" Jacques Marechal ( + 1890-1961), later Soeverein Grootcommandeur van de "Supreme Conseil", was volgens hem een kleingeestige man die ongezond plezier vond in maneuvers en intriges en zich hoofdzakelijk om detailkwesties bekommerde. Van zijn opvolger als grootsecretaris in de "Grande Loge de France", een zekere Pavaillon, "die ongehuwd samenleefde met de meesteres van een adoptieloge", wist hij te zeggen dat hij de werking aanzienlijk geschaad had.
Grootmeester Lucien Le Foyer t1872-1940) was volgens Riandey bezeten door grootheidswaanzin, Soeverein Grootcommandeur Rene Raymond (1882-1958) had een grondige hekel aan zijn tweede-in-bevel Jacques Marechal en Michel Dumesnil de Gramont (1893-1953), die driemaal tot grootmeester van de "Grande Loge de France" werd verkozen, beschreef hij als een alcoholist.
Over de meeste prominenten van de "Grande Loge de France" en van de "Supreme Conseil" had Riandey iets onvriendelijks te zeggen.
Grootmeester Louis Doignon (1883-1975) was nooit verlegen om een ijdele belofte; Soeverein Grootcommandeur Stanislas Bonnet (1898-1967) was een vervallen drinkebroer; de voorzitter van de Parijse macons van de 30e graad, advocaat Gallie was in kindsheid vervallen en had geen enkele notie van vrijmetselarij; generaal in ruste Merigeault was nietsmeer dan een "adjudant pete-sec"
De hoogste dignitarissen van de concurrerende loges vonden al evenmin genade in Riandeys ogen. P. Cheret, grootmeester van de "Grande Loge Nationale", was volgens hem een alledaags mannetje,zonder enige maconnieke kennis. Fran,cois Viaud (1899-1985), grootmeester van de "Grand Orient", was een valse broeder, die overal onvriendelijke en beledigende verklaringen over de "Grande Loge" uit strooide.
De giftigste pijlen schoot Riandey af op grootmeester Richard Dupuy (1914-1985) en op grootsecretaris en later grootcommandeur Henri Bittard.
Van Dupuy, die in totaal bijna twintig jaar over de "Grande Loge" presideerde, schreef Riandey dat hij zijn persoonlijke ambities voorrang gaf, geen moed had, over een vruchtbare geest beschikte om allerhande combines te bedenken, zonder scrupules de reglementen overtrad, wetens en willens bedrog pleegde en een meester was van het bedrieglijke woord. Het kwaad dat Dupuy de Franse vrijmetselarij had aangedaan, was onmetelijk, vond hij. En over Bittard oordeelde hij dat hij een machiavellist zonder woord was, een meester in het dubbelspel, een specialist van het liegen en bedriegen en iemand die te vlug en te onverklaarbaar rijk was geworden. Daarbij vermoedde hij sterk dat hij een "mol" was, die in de schoot van de "Grande Loge" was geparachuteerd om er de belangen van anderen (van de "Grand Orient"?) te behartigen.
Zo oordeelde Riandey over de hoofdpersonages van de "Grande Loge de France" en van de "Supreme Conseil", die decennia lang zijn collega's waren.
Broedertwisten.
Riandey beschreef in zijn memoires in detail twee broedertwisten, zoals zo vaak veroorzaakt door meningsverschillen over de begrippen "regulier" en "irregulier".
Tijdens en kort na de oorlog onderzocht hij de mogelijkheid om het 'Grand College des Rites" (de hoge gradenstructuur van de "Grand Orient") en de "Supreme Conseil du rite Ecossais" (de hoge gradenstructuur die werkte met de "Grande Loge") te verenigen. De pogingen liepen spaak omdat volgens hem de "Grand Orient" hierin een mogelijkheid tot machtsgreep op de "deïstische" vrijmetselarij zag.
In de jaren vijftig onderhandelde de "Grande Loge" met de "Grande Loge Nationale" met de bedoeling er mee samen te smelten en aldus regulier" te worden, maar dit werd door een meerderheid van de eigen leden, die van het deisme niets moesten weten, afgestemd. Daarop begon de "Grande Loge" uit te kijken in de richting van de "Grand Orient", waarmee na eindeloze discussies in 1964 een "vriendschapsverdrag" werd gesloten, wat meteen alle deuren sloot voor verdere internationale contacten met de "reguliere" maconnerie. Dit konden Riandey, die toen Soeverein Grootcommandeur was van de "Conseil Supreme" en zijn medestanders niet aanvaarden, en zij beslisten alle banden met de "Grande Loge" te verbreken. Na een aantal hoogst ingewikkelde episodes, werd de vernieuwde "Supreme Conseil" als enige "reguliere" macht erkend door de internationale hoge-graden maconnerie en sloot Riandey zich, hierin gevolgd door een duizendtal broeders, bij de "Grande Loge Nationale" aan.

In de talrijke peripetieen die deze ingewikkelde controverses kenden, waren de meest gebruikte wapens de leugen, de intrige, de vervalsing of het achterhouden van documenten, de geheime afspraken en het complot: een echte politieroman.
"De gezonde beoefening van de vrijmetselarij vereist voldoende wijsheid", zo schreef Riandey, "maar als de maconnerie alleen diegenen zou opnemen die deze wijsheid bezitten, zouden haar rangen maar erg dun bezet zijn". Zichzelf beschouwde hij natuurlijk als iemand die de wijsheid in pacht had.
De postume memoires van Riandey zijn geen stichtende lectuur en werpen een ruw en meedogenloos licht op het inwendige reilen en zeilen van een grote obedientie. Wat deed er de latere Soeverein Grootcommandeur Raoul Mattei ( ° 1921) toe besluiten na zoveel jaren deze met vitriool geschreven memoires aan de openbaarheid prijs te geven? Hij antwoordde hiermee wellicht met vertraging op een "Histoire et cause d'un echec" die de Grand-Orient" vrijmetselaar en voorname maconnieke auteur Johannes Corneloup (1888-1978) had gepubliceerd onmiddellijk na de dood van Riandey en waarin hij de pas verdwenen "broeder" ervan had beschuldigd, tijdens de oorlog een aan het regime van Petain onderdanige vrijmetselarij te hebben willen oprichten.

De hevigst getroffenen door de diatribes van Riandey waren evenwel niet de dignitarissen van het Grootoosten, maar die van de eigen Grootloge met wie hij een halve eeuw had samengewerkt. De beslissing van de hoge logedignitaris Mattei om vijftien jaar na de dood van Riandey, die zijn ongenadig en waarschijnlijk overdreven en onrechtvaardig pamflet te publiceren, toont aan dat de antagonismen ook nu nog hevig blijven Hiermee is alvast een uitzonderlijke inkijk gegeven in de alles behal ve broederlijke gevechten die zich achter de tempelpoorten kunnex afspelen.

Riandey was hierin niet de enige. In 1976 verschenen de memoire, van de ex-trotzkist en socialist Fred Zeller (°1912), die van 1971 tot 1973 Grootmeester was van de "Grand Orient de France". Zeller was nogal kritisch over "het scepticisme, het laisser-aller, de verslapping, het absen te sme" die de werking van vele werkplaatsen kenmerkten, evenals over de "holle retoriek, het inhoudloos en zielloos formalisme van de ritualen die geen aantrekkingskracht meer konden uitoefenen op de jongere generaties.
Stelde hij vast dat hij tijdens zijn grootmeesterschap het hoofd had moeten bieden aan deloyale opposities, vooral zijn voorganger en zijn opvolger moesten het ontgelden. Jacques Mitterand (° 1906) beschuldigde hij zonder meer een crypto-communist te zijn en jarenlang de agent en de informant van de Franse communistische partij te zijn geweest in de schoot van de "Grand Orient".
Jean-Pierre Prouteau (°1930), die hem in september 1973 was opgevolgd, beschuldigde hij ervan de linkse opstelling van de "Grand Orient" te hebben afgezwakt en in 1974 bij de presidentsverkiezingen partij te hebben gekozen en in feite ook de "Grand Orient" goedschiks of kwaadschiks te hebben geengageerd voor Valery Giscard d'Estaing. Zeller had waarschijnlijk juist gezien, want in 1978 werd Prouteau tot staatssecretaris benoemd in het eerste kabinet Raymond Barre.
Uit deze voorbeelden kan men afleiden dat de naoorlogse schisma's en splitsingen in Belgie, soortgelijke episodes moeten hebben veroorzaakt, ook al bleven de Belgische ma,cons hierover discreter.
De broederschap in de werkplaats.
De maçonnerie heeft natuurlijk niet het monopolie van de broedertwisten. Overal waar mensen samenkomen, in de kerken, in de politiek, in verenigingen en organisaties zal men gelijksoortige toestanden aantreffen. Sterke verhalen zoals die van Riandey en Zeller kunnen in veel andere zoniet in de meeste kringen voorkomen.
De objectiviteit gebiedt de ruzies en meningsverschillen als een permanent gegeven in de geschiedenis van de vrijmetselarij aan te duiden, maar vereist ook dat we niet zouden voorbijgaan aan de mooie aspecten die we er eveneens aantreffen. Vooral in de schoot van de plaatselijke loges kunnen de broederschap en de trouwe vriendschap opbloeien. Waar de contacten van mens tot mens gelegd worden, los van kliekjesgeest of grote principes, kan de echte samenhorigheid ontstaan.
Daar kunnen de kinderen van Hiram zich werkelijk als broeders, als zusters of als broeders en zusters terugvinden.
In gesprekken valt het op dat vrijmetselaars zich soms weinig aantrekken van wat er buiten de eigen werkplaats omgaat. Wat op het echelon van de obedientie gebeurt, beroert hen nauwelijks en dat laten ze over aan de activisten. Zij voelen zich goed in hun loge, gaan zelden op bezoek bij andere werkplaatsen, en weten weinig af van wat er in de obedientie, laat staan in de rest van de vrijmetselarij omgaat.
Ze apprecieren de rituele bijeenkomsten, ze genieten van de kameraadschappelijke sfeer, ze voelen zich goed in de geborgenheid van een besloten gezelschap.
Het is ook in de werkplaatsen niet altijd rozengeur en maneschijn.
Als de uitnodiging vermeldt dat op een volgende bijeenkomst de "familie zaken" van de loge besproken zullen worden, dan zal het allicht ook al eens om "familieruzies" gaan. Maar als ergens het maconnieke ideaal van broederlijkheid kan worden aangetroffen, dan is het in de kleine gemeenschap van een werkplaats. Het samenzijn en het samen organiseren schept banden. Op dit niveau kan men het woord "broeder" in al zijn ernst en inhoud uitspreken. De universele broederschap is wel heel mooi maar blijft toch erg theoretisch, als men er niet in zou slagen de hechte broederband te smeden onder gelijkgezinde vrijmetselaars die met een kleine groep de Broederketen vormen.
De broederschap bereiken binnen de loges is niet enkel een van de betrachtingen van de vriimetselarij, ze is ook de noodzakelijke voorwaarde voor alle andere doelstellingen.
De vrijmetselaar zal zichzelf niet vervolmaken als in de loge een vijandige of onsympathieke sfeer heerst. De vele grote en kleine dingen die gedaan moeten worden om de werkplaats als een coherente en levendige entiteit te organiseren, kunnen slechts tot stand komen als de broeders eendrachtig zijn. De doelstellingen die de loge zich stelt, hetzij voor de eigen logewerking, hetzij voor de wereld daarbuiten, kunnen niet bereikt worden als er geen vertrouwvolle samenwerking is.
Dit alles weten "de kinderen van Hiram". Ze weten ook dat het ideaal veraf ligt. De besten onder hen streven naar dat ideaal. Zolang zij dit blijven doen, zal de vrijmetselarij nuttige arbeid verrichten.